Huber Crommen Geelhand Barbaix

Vrije keuze van de waarderingsmethode door partijen bij een gesplitste aankoop

| Katrin Somers

Artikel 2.7.1.0.7. VCF bevat een fictiebepaling met betrekking tot de aankoop van een roerend of onroerend goed door de erflater voor het vruchtgebruik en door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden voor de blote eigendom (“gesplitste aankoop”). De blote eigenaar zal in dat geval erfbelasting moeten betalen bij overlijden van de vruchtgebruiker op de volle eigendom van de goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een gesplitste aankoop, tenzij hij kan bewijzen dat er geen bedekte bevoordeling heeft plaatsgevonden in zijnen hoofde.

Het tegenbewijs dat de blote eigenaar moet leveren heeft betrekking op drie aspecten. Ten eerste moet de blote eigenaar bewijzen dat hij over eigen gelden beschikte reeds vóór de datum van de gesplitste aankoop. Daarnaast moet hij bewijzen dat hij zijn eigen gelden heeft aangewend om die aankoop te financieren. Ten slotte moet de blote eigenaar bewijzen dat hij de correcte prijs heeft betaald voor de blote eigendom, namelijk dat de prijs overeenstemt met de waarde van de volle eigendom verminderd met de waarde van het vruchtgebruik.

Een parlementaire vraag die op 22 december 2016 werd gesteld door de heer Koen VAN DEN HEUVEL, betrof het derde aspect van het tegenbewijs, namelijk welke waarderingsmethode gebruikt dient te worden om een ‘correcte’ (lees : voor VLABEL aanvaardbare) prijs voor de blote eigendom te bepalen. Er worden in de praktijk drie tabellen gehanteerd : de tabel Ledoux, de tabel van artikel 2.7.3.3.2 VCF en de nieuwe “civielrechtelijke” tabel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De heer Koen VAN DEN HEUVEL vroeg zich daarom af of deze drie tabellen gelijkwaardig aanzien worden door VLABEL bij de bepaling van de waarde van het vruchtgebruik bij een gesplitste aankoop.

Minister TOMMELEIN heeft deze parlementaire vraag bevestigend beantwoord. “De Vlaamse Belastingdienst aanvaardt bijgevolg de berekening van partijen ongeacht welke overlijdenstabel zij gebruiken.” De Minister volgt daardoor het eerdere, gelijkluidende standpunt van de federale minister van Financiën.

Volgens Minister TOMMELEIN betreft de berekening van de waarde van het vruchtgebruik enkel de burgerrechtelijke belangen van de partijen. Dit heeft tot gevolg dat de partijen, afhankelijk van de overlijdenstabel die ze toepassen, zelf kunnen kiezen voor een hoge waarde van het vruchtgebruik of een lage waarde. Het is voor VLABEL dus niet mogelijk om de waardering van het vruchtgebruik aan te vechten wanneer er gebruik werd gemaakt van de tabel die de laagste waarde van de blote eigendom als resultaat had.

De vraag rijst of dit antwoord wel juist is. Vereist is immers dat de waarde van de blote eigendom correct wordt berekend. En er kan maar één correcte prijs bestaan voor de blote eigendom van een goed. Stel dat de vruchtgebruiker (een vrouw) 64 jaar oud is. Volgens de (totaal verouderde) tabel van de VCF bedraagt de waarde van het vruchtgebruik 38%. Indien men daarentegen de nieuwe wettelijke tabel gebruikt voor de waardering van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot (tabel van 1 juli 2016), bedraagt de waarde van het vruchtgebruik slechts 27,21%. Vraag is dan of de blote eigenaar niet het zekere voor het onzekere moet nemen en 72,79% van de prijs moet betalen (ipv. 62%) om zich geen zorgen te moeten maken. Volgens de minister is dat dus niet het geval. Hopelijk geldt die uitspraak ook nog op het ogenblik dat de vruchtgebruikster-erflaatster overlijdt.

K. Somers

(Vr. en Antw. Vl.Parl., Vr. nr. 103, 22 december 2016 (K. VAN DEN HEUVEL))