Huber Crommen Geelhand Barbaix

Vlabel en de schenking van delen van een maatschap: een bocht van 180 graden?

| Nicolas Geelhand de Merxem

Gisteravond publiceerde Vlabel een nieuwe voorafgaande beslissing in verband met de schenking van delen van een maatschap door ouders aan kinderen.

De hypothese is klassiek : twee ouders gehuwd onder scheiding van goederen bezitten aandelen in een NV en in een BVBA en wensen deze vermogensbestanddelen reeds tijdens hun leven door te schuiven naar hun twee zonen. Zij wensen echter wel de levenslange controle te behouden alsmede een inkomstenstroom. Het ideale instrument om dit te verwezenlijken, is de inbreng van de aandelen in een maatschap, gevolgd door een schenking van de delen van de maatschap aan de kinderen, met voorbehoud van vruchtgebruik.

Deze schenking zou geschieden voor Belgische notaris en derhalve met betaling van 3% schenkbelasting.

De aanvragers stellen eerst de vraag of de art. 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF van toepassing zijn, op zich en in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

Het antwoord op die vraag is vanzelfsprekend negatief. Art. 2.7.1.0.7 VCF is immers niet van toepassing omdat het tegenbewijs (dat Vlabel contra legem eist – over deze vraag zal de Raad van State op korte termijn een arrest vellen) geleverd is (betaling van 3% schenkbelasting). Art. 2.7.1.0.9 VCF is evenmin van toepassing omdat de verrichting duidelijk onder kosteloze titel is gesteld.

Veel belangrijker is de vraag of er schending is van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF (oud art. 4, 3° W.Succ.), op zich of in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF.

Het antwoord van Vlabel luidt als volgt: “*83**. Aangezien de schenkers zich niet exclusief de beschikkingsbevoegdheid voorbehouden over de geschonken goederen, is artikel 2.7.1.0.3,3° VCF niet van toepassing, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF*.”

Vlabel lijkt hier een bocht van 180 graden te maken.

In de voorafgaande beslissing nr. 16046 van 14 november 2016 dat een vergelijkbare hypothese betrof (en dat het voorwerp uitmaakt van een procedure tot vernietiging voor de fiscale kamer van de Rechtbank te Gent) besliste Vlabel immers in totaal andere zin:

32. Omwille van het bijkomend oprichten van de burgerlijke maatschap (naast de hogervermelde schenking) is op de voorgelegde rechtshandelingen de antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF toepasselijk wegens het ontwijken van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF .

33. Immers, om wille van de voorgestelde gecombineerde constructie waarbij eerst een burgerlijke maatschap wordt opgericht tot aan het overlijden van de langstlevende van de schenkers, waarvan de bedoeling enkel is de volledige controle over het vermogen van de maatschap te behouden (de ouders worden als zaakvoerders aangesteld), alsmede de vaststelling van het feit dat de begiftigden handelingsonbekwaam zijn voor wat de aan de schenking opgelegde voorwaarden betreft, dient besloten te worden dat wordt getracht de toepassing van art. 2.7.1.0.3,3° te omzeilen aangezien de rechtsgevolgen van de vooropgestelde constructie identiek zijn aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

34. De zogenaamde niet-fiscale motieven die aanvragers aanhalen, zij het in het kader van de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF, zijn net van die aard om de toepassing van art. 2.7.1.0.3,3° VCF te bevestigen, met name:

· Behoud van controle over de goederen;

· Beheer over het vermogen;

· Behoud van een inkomstenstroom.

Deze motieven worden bijgevolg niet aanvaard als tegenbewijs, integendeel.

35. Bijgevolg wordt de verrichting gelijkgesteld met de verrichting beoogd in art. 2.7.1.0.3,3° VCF, waardoor deze als legaat wordt beschouwd.” (eigen klemtoon).

Welnu, de aanvragers in de hier besproken zaak hadden naar deze passage verwezen (nr. 49) en hadden vervolgens op zeer uitvoerige wijze uiteengezet dat dit (met name identieke rechtsgevolgen als die geviseerd door art. 2.7.1.0.3, 3° VCF) in casu helemaal niet het geval is.

Maar als men die uiteenzetting van de aanvragers leest, dan blijkt daar vooral uit dat bij schenking van delen van een maatschap de schenking niet tot gevolg heeft dat de schenkers na de schenking nog vrij (discretionair – als eigenaar) kunnen beschikken over de geschonken goederen (en ook niet over de goederen die tot het vermogen van de maatschap behoren – Vlabel herhaalt immers in nr. 76 van de besproken beslissing dat de burgerlijke maatschap ook civielrechtelijk volledig transparant is).

Immers de aanvragers betogen:

“1° (dat) de inbreng van de aandelen in het kapitaal van de holdingvennootschappen (…) tot gevolg (heeft) dat de aandelen zelf uit het persoonlijk vermogen (van de schenkers) verdwijnen”

“2° (dat) het college van zaakvoerders (…) enkel (mag) beslissen in het belang van de burgerlijke maatschap en binnen de grenzen opgelegd door de statuten”

“3° (dat) het behoud van beheer en/of beschikking in hoedanigheid van zaakvoerder (niet) (in)druist (…) tegen het principe van onherroepelijkheid van de schenking”

“4° (dat de) oprichting van de burgerlijke maatschap door de ouders samen met hun kinderen (gebeurt).

Betekent de nieuwe beslissing dat Vlabel afdoende werd overtuigd door de argumenten door de aanvragers ontwikkeld in de nummers 51 tot 67 van de beslissing?

Wil dit dat dan zeggen dat :

- Vlabel niet langer eist dat de begiftigde vrij over de geschonken goederen moet kunnen beschikken?

- Vlabel voortaan eist dat de schenkers zich niet de exclusieve (dit woord is m.i. minder gelukkig – bedoeld wordt m.i. vooral discretionaire = als eigenaar) beschikkingsbevoegdheid mogen voorbehouden over de geschonken goederen (en evenmin over de achterliggende goederen)?

Ik zou geneigd zijn op al deze vragen bevestigend te antwoorden. Aan Vlabel werd verduidelijking gevraagd.

Het hoeft geen betoog dat indien Vlabel één en ander bevestigt, het instrument van de schenking van delen van een maatschap weer algemeen bruikbaar wordt. Immers de ouders-schenkers hebben bij een voorafgaande inbreng in een maatschap in de regel geen exclusieve en discretionaire (= als eigenaar) beschikkingsbevoegdheid meer over de (onderliggende) geschonken goederen. Zij dienen het vermogen van de maatschap te beheren in het belang van de maten.

Dus, ja graag een spoedige en heldere bevestiging door Vlabel.

(VB nr. 17054 dd. 19 februari 2018, “Inbreng bestaande aandelen in op te richten burgerlijke maatschap gevolgd door schenking blote eigendom deelbewijzen”, gepubliceerd op 2 maart 2018).

N. Geelhand de Merxem