Huber Crommen Geelhand Barbaix

Vijf standpunten over de aanpassing van de erfbelasting aan de nieuwe erfwet

| Nicolas Geelhand de Merxem

De Vlaamse Regering heeft beslist de bepalingen inzake de erfbelasting aan te passen aan de nieuwe erfwet. Een eerste deel van die aanpassing werd reeds doorgevoerd door de Vlaamse decreetgever. Er is immers in het Vlaams Parlement een Voorontwerp van decreet ingediend, tot modernisering van de erfbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht (zie vorig nieuwsbericht).

Een aantal minder belangrijke (interpretatie- en toepassings-)problemen die geen decretale wijziging behoeven, worden door administratieve standpunten opgelost. Op 12 maart 2018 werden reeds vijf standpunten gepubliceerd op de website van Vlabel.

1. De inbreng van levensverzekeringen (nr. 17.046 van 2 oktober 2017)

In de nieuwe regelgeving (vanaf 01.09.2018) zijn voordelen verkregen uit levensverzekeringen aan inbreng onderworpen, tenzij de verzekeringnemer vrijstelling van inbreng heeft verleend.

Vlabel zal met deze inbreng rekening houden voor de toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF. Concreet betekent dit dat de begunstigde enkel belast wordt op het deel van het voordeel dat hij behoudt en dat de erfgenamen die een deel van het voordeel via inbreng verkrijgen op hun deel worden belast.”

De eerste alinea is te algemeen geformuleerd omdat via een reparatiewet de aard van de schenking zal gealigneerd worden op de algemene civielrechtelijke vermoedens (vermoeden van voorschot voor de erfgenamen in rechte nederdalende lijn en vermoeden van vrijstelling van inbreng voor andere erfgenamen – art. 843 (nieuw) B.W.). Voorwaarde is uiteraard ook dat het voordeel (civielrechtelijk en dus ook fiscaal) als een schenking kan worden gekwalificeerd. Alleen schenkingen kunnen ingebracht of ingekort worden.

Wat de tweede alinea betreft. De inbreng heeft in principe geen weerslag op de heffing van erfbelasting, behalve onder meer wanneer een fictiebepaling van toepassing is op grond waarvan erfbelasting kan worden geheven. Dit is hier het geval vermits art. 2.7.1.0.6 VCF van toepassing is indien een uitkering van sommen, renten of waarden gebeurt binnen de 3 jaar voor, bij of na het overlijden. Het standpunt heeft het enkel over de inbreng, maar de redenering geldt evenzeer voor de inkorting indien de schenking via een levensverzekering is gedaan.

Tot slot gebeurt de inbreng voortaan gelet op de waarde op de dag van de schenking (art. 858, §3 (nieuw B.W.). Bij een levensverzekeringsovereenkomst animo donandi is dat echter nog steeds de verzekeringsprestatie die wordt uitgekeerd. Fiscaal wordt echter exclusief gekeken naar de waarde op de dag van het overlijden (tenzij de uitkering na het overlijden geschiedt).

2. Inbreng met generatiesprong – Erfovereenkomst met generatiesprong (nr. 17047 van 2 oktober 2017)

Het nieuwe erfrecht (vanaf 01.09.2018) biedt een grootouder nieuwe mogelijkheden om schenkingen te doen aan de kleinkinderen. Volgens de nieuwe bepalingen in het BW wordt deze techniek beschouwd als een dubbele schenking in het kader van de regels van de inbreng en de inkorting: een schenking door de grootouder aan zijn kind gevolgd door een schenking door het kind aan zijn eigen kind (het kleinkind).

Vlabel stelt dat de "dubbele schenking" een burgerrechtelijke fictie is die geen invloed heeft op de fiscale behandeling van de schenking. Voor de heffing van de schenkbelasting zal enkel de "reële" schenking in aanmerking worden genomen, nl. de schenking door de grootouder aan het kleinkind.”

Het standpunt viseert hier de art. 845, §2 en art. 1100/7, §4 (nieuw) B.W. Uit deze bepalingen zou men kunnen afleiden dat er civielrechtelijk twee schenkingen zijn of dat er een dubbele schenking is: een schenking van de ouder aan het kind en een schenking van het kind aan het kleinkind. In beginsel volgt het fiscale het civielrechtelijke. Hier wordt afbreuk gedaan aan dit beginsel, omdat men deze technieken als een “burgerrechtelijke fictie” beschouwt, die geen invloed heeft op de fiscale behandeling van de schenking. Vlabel zal enkel de “reële” schenking belasten in de schenkbelasting, met name de schenking door de grootouder aan het kleinkind. Dit is merkwaardig maar uiteraard in het voordeel van de belastingplichtige. Naast de “fiscale ficties” die belasten wat normaliter niet belast wordt, zijn er nu ook “civielrechtelijke ficties” die fiscaal niet belast worden.

Op de keper beschouwd is er civielrechtelijk geen dubbele schenking. In het eerste geval is de schenking duidelijk gedaan aan het kleinkind. In het tweede geval is er een weigering door het kind om zich te verrijken.

Aangenomen wordt dat dit ook geldt in de erfbelasting (bv. fictiebepaling art. 2.7.1.0.5 VCF) bijvoorbeeld wanneer de schenking bij buitenlandse notariële akte plaatsvindt.

3. Omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot (nr. 17048 van 2 oktober 2017)

Het nieuwe erfrecht (vanaf 01.09.2018) voorziet een nieuwe mogelijkheid van omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot. Als er van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, ontstaat er een onverdeeldheid tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen. De omzetting van vruchtgebruik valt onder de toepassing van artikel 2.10.1.0.1, 3° VCF (verdeelrecht). Er zal door Vlabel niet tweemaal verdeelrecht worden geheven als de langstlevende en de kinderen in één akte overgaan tot zowel de omzetting van het vruchtgebruik als tot een verdeling.”

Vlabel viseert hier art. 745quater, §1/1 (nieuw) B.W. en poneert hier twee standpunten:

- Op deze “automatische omzetting” wordt het verdeelrecht geheven op grond van art. 2.10.1.0.1,3° VCF; dit is evident omdat laatstgenoemde bepaling expliciet verwijst naar art. 745quater B.W.;

- Als de omzetting in dezelfde akte gebeurt als de uitonverdeeldheidtreding, wordt er slechts éénmaal het verdeelrecht geheven; dat ligt in de lijn van de stelling dat opeenvolgende verdelingen in dezelfde akte die geheel of gedeeltelijk dezelfde goederen tot voorwerp hebben, slechts aanleiding geven tot één heffing van het verdeelrecht.

4. “Opgedrongen inbreng” in natura (nr. 1753 van 16 oktober 2017)

In de huidige regelgeving gebeurt een inbreng van een schenking in principe in natura. In de nieuwe regelgeving gebeurt een inbreng in principe in waarde.

De erfgenaam die verplicht is tot inbreng heeft onder de nieuwe regelgeving echter de mogelijkheid aan de mede-erfgenamen een inbreng in natura aan te bieden (nieuw art. 858, §6 BW). Het gaat hierbij om een zgn. wilsrecht, hetgeen betekent dat inbreng plaatsheeft zonder dat de mede-erfgenamen hierin moeten toestemmen of de inbreng kunnen weigeren. De vraag wordt gesteld of Vlabel deze inbreng zal belasten met registratiebelasting als het ingebrachte goed een onroerend goed is. Vermits de inbreng in natura een eenzijdige beslissing is van de inbrenger en de mede-erfgenamen niet met de inbreng moeten instemmen, noch de inbreng kunnen weigeren, is Vlabel van mening dat de inbreng geen conventionele overdracht is. Een dergelijke inbreng valt bijgevolg buiten de toepassing van de registratiebelasting. Het spreekt vanzelf dat, in geval van latere verdeling van het ingebrachte onroerend goed, het verdeelrecht van toepassing zal zijn op de verdeling bij toepassing van artikel 2.10.1.0.1 VCF.

Het verkooprecht veronderstelt het bestaan van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen (art. 2.9.1.0.1 VCF ).

In casu is er geen sprake van een overeenkomst maar van de uitoefening van een wettelijk recht.

Ook hier moet aangenomen worden dat het standpunt ook geldt wanneer de inkorting op verzoek van de begiftigde in natura gebeurt (art. 920, §2 (nieuw) B.W.).

5. Verklaring tot behoud van de modaliteiten van oude schenkingen (nr. 17054 van 16 oktober 2017)

Als de erflater komt te overlijden na de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving, betekent dit dat schenkingen die door deze erflater zijn gedaan, ook voor 01/09/2018, in principe onderworpen zullen zijn aan de nieuwe regels inzake inbreng en inkorting. Bij wijze van overgangsbepaling heeft een schenker de mogelijkheid bij notariële akte een zgn. verklaring tot behoud af te leggen, waarin wordt bevestigd dat hij wenst dat de vroegere bepalingen van toepassing blijven op schenkingen die hij heeft gedaan vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet (W. 31/07/2017, art. 66).

De vraag wordt gesteld of zo’n verklaring tot behoud aanleiding zal geven tot het heffen van schenkbelasting, als er in de verklaring schenkingen worden vermeld die niet aan de schenkbelasting werden onderworpen.

Vermits een dergelijke verklaring eenzijdig is, in die zin dat ze uitsluitend uitgaat van de schenker, vormt ze volgens Vlabel geen titel voor de heffing van de schenkbelasting”.

Een verklaring die enkel uitgaat van de schenker kan nooit een titel vormen voor de heffing van de schenkbelasting. Dat is ook de reden waarom vroeger bevestigingen van handgift door de schenker werden opgemaakt en geregistreerd.

Het standpunt kan in verband gebracht worden met art. 2.8.1.0.1, tweede en derde lid (nieuw) VCF (voorontwerp van decreet tot modernisering van de erfbelasting, aangepast aan het nieuwe recht). Maar het verschil is dat bij een globale erfovereenkomst de verplichting bestaat om de schenkingen waarop men niet wil terugkomen, op te lijsten. Bij een verklaring van behoud bestaat die verplichting helemaal niet. Het probleem zal zich derhalve niet echt stellen.

N. Geelhand de Merxem