Huber Crommen Geelhand Barbaix

Verlaging van het tarief in de schenkbelasting voor beschermde monumenten

| Nicolas Geelhand de Merxem

I. Inleiding

In het Belgisch Staatsblad van 4 mei 2017 verscheen het Vlaamse decreet van 21 april 2017 houdende wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de vermindering van het verkooprecht en de schenkbelasting voor beschermde monumenten.

De nieuwe regeling past in het raam van de integratie van fiscale stimulansen voor het behoud en beheer van onroerend erfgoed in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), naast de bestaande premieregeling (MvT, p. 3).

De Vlaamse overheid is van oordeel dat de vermindering van schenkbelasting de eigenaars die zelf geen plannen hebben voor hun beschermde eigendom, zal aanzetten om het goed te schenken aan partijen die het wel wensen te ontwikkelen, eerder dan het door erfenis te laten overgaan aan partijen die geen interesse hebben in de soms financieel zwaarwegende zorg voor de beschermde familiegoederen. Tevens is de tijd hierbij een belangrijk gegeven. Langdurige verwaarlozing van beschermde goederen heeft een negatief effect op de omgeving en op het draagvlak voor onroerend erfgoed en zorgt er tevens voor dat de kosten om het goed te beheren, restaureren of herstellen exponentieel toenemen. Ten slotte meent de Vlaamse overheid dat er een terugverdieneffect te verwachten valt. Beschermde monumenten zullen daardoor sneller geschonken worden en de leefomgeving ten goede komen, ook sociaal-economisch (MvT, p. 4).

Er is bewust niet gekozen voor een vermindering of vrijstelling in de erfbelasting (MvT, p. 6) en evenmin voor een volledige vrijstelling in de schenkbelasting onder bepaalde voorwaarden (bv. ontsluiting van onroerend erfgoed) (MvT, p. 8).

II. De regeling

a) Het tarief en de toepassingsvoorwaarden

Art. 5 van voormeld decreet voert een onderafdeling 4 toe aan titel 2, hoofdstuk 8, afdeling 4 (tarief) van de VCF, met als titel: “Tarieven voor schenkingen van een beschermd monument waarvoor een investeringsverplichting geldt”.

Samengevat houdt de nieuwe decretale regeling een verlaging in van het tarief voor schenking aan fysieke personen en niet bevoorrechte rechtspersonen (A = §1) en voor schenking aan bevoorrechte rechtspersonen (B = §3)A) Het tarief voor de schenking van onroerende goederen voor de geheelheid in eigendom in het Vlaamse gewest (schenking aan fysieke personen en niet bevoorrechte rechtspersonen) is het tarief zoals bepaald in art. 2.8.4.3.1, §1, eerste lid VCF (tarieven voor schenkingen van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden; dit is een tarief dat lichtjes goedkoper is dan het gemeenrechtelijk tarief voor schenking van onroerende goederen (bv. in rechte lijn is dat 3, 6, 12 en 18 % in plaats van 3, 9, 18 en 27% voor dezelfde schijven).

Er gelden een paar inhoudelijke en formele toepassingsvoorwaarden:

  • 1° Een “investeringsverplichting”: binnen vijf jaar vanaf de datum van de schenkingsakte moet het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de schenkbelasting, geheven conform artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, geïnvesteerd worden in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van de erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten; dit “bedrag” is exclusief BTW;

  • 2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, moet een beheersplan zijn opgemaakt conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 (agentschap Onroerend Erfgoed).

    Uit de Memorie van Toelichting (p. 5) volgt dat wanneer er op het ogenblik van de schenking geen geldig beheersplan is, de begiftigde de mogelijkheid heeft om dit beheersplan nog op te maken, mits behoud van de termijn van 5 jaar voor uitvoering van de investering. Bestaat er een geldig beheersplan maar loopt de geldigheid af binnen de termijn van 5 jaar, dan kan de begiftigde kiezen om de investeringen te koppelen aan het bestaande beheersplan, mits start van de maatregelen, werkzaamheden of diensten voor het aflopen van deze geldigheid, of om een nieuw beheersplan op te maken en voor goedkeuring van het agentschap Onroerend Erfgoed voor te leggen, waarbij dezelfde bepalingen gelden als in het geval er geen geldig beheersplan was. De begiftigde is steeds vrij om een bestaand beheersplan aan te passen mits voorlegging voor goedkeuring aan het agentschap Onroerend Erfgoed.

  • Uit het voorgaande volgt dat het onroerend goed een “beschermd monument” moet zijn,zoals vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 (zie ook MvT, p. 6). Beschermde landschappen komen niet in aanmerking (Verslag, p. 6). Er moest immers een keuze gemaakt worden en de grootste noden doen zich voor bij de beschermde monumenten (Verslag, p. 9).

B) Het tarief voor de schenking van een onroerend goed in het Vlaamse gewest (schenking aan de rechtspersonen vermeld in art. 2.8.4.1.1, §3 VCF, zijnde de rechtspersonen die genieten van een laag en vlak tarief ) is het vlak tarief van 3%. De voorwaarden zijn dezelfde als hierboven sub A uiteengezet.Er is in de twee gevallen (A-§1 en B-§3) een formele toepassingsvoorwaarde (zie art. 9 van het nieuwe decreet): De partijen moeten in de akte of het geschrift, of in een vermelding onderaan op de akte of het geschrift verklaren dat “het geschonken onroerend goed een beschermd monument is en dat het voornemen bestaat toepassing te vragen van artikel 2.8.4.4.1” (nieuw art. 3.12.3.0.1, §1, 5° VCF).Volgens de Memorie van Toelichting moet voor de schenkbelasting het te investeren bedrag van bij de aanvang kunnen worden becijferd. Vandaar dat het voornemen om later toepassing te vragen van de gunstregeling van in den beginne in de schenkingsakte moet worden vermeld (MvT, p. 13). Dat het te investeren bedrag van bij de aanvang moet kunnen worden becijferd, wordt evenwel niet in de tekst van het decreet gesteld.

b) De teruggave van het verschil

In de beide gevallen wordt hetzelfde systeem van de “terugbetaling” van schenkingsrechten toegepast als bij de schenking van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden. Bij de schenking betaalt men het “gewone” tarief en na vijf jaar krijgt men het verschil met het gunststarief terug:

  • A-§1: “Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend conform de tabellen, vermeld in het eerste lid, wordt teruggegeven conform artikel 3.6.0.0.6, § 1/3. Het abattement, toegepast conform artikel 2.8.3.0.4, en de vermindering, verleend conform artikel 2.8.5.0.1, blijven in dat geval behouden”.

  • B-§1: “Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform artikel 2.8.4.1.1, § 3, en de schenkbelasting, berekend conform het eerste lid, wordt teruggegeven conform de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/3”.

Te dien einde wordt door art. 8 van het nieuwe decreet in de VCF een nieuw art. 3.6.0.0.6, §1/3 ingevoerd, waarvan de tekst luidt als volgt: “§ 1/3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de begiftigden een verzoek tot teruggave indienen uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de schenkingsakte en een attest verkrijgen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, is voldaan. Het voormelde attest wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse overheid verkregen van het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013”.Het attest wordt afgeleverd nadat aan alle voorwaarden vermeld in art. 2.8.4.4.1, hetzij §1, hetzij §3 VCF is voldaan, door het Vlaamse agentschap Onroerend Erfgoed. Een afschrift wordt aan de begiftigden bezorgd met vermelding dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan (art. 3 van het nieuwe decreet).Uit de memorie van toelichting zou men kunnen afleiden dat de ontheffing kan worden verleend zodra voldaan is aan de voorwaarden gekoppeld aan het krijgen van het voordeel. “Het is dus in het belang van de begunstigde om zo snel mogelijk te voldoen aan deze voorwaarden” (MvT, p. 7).

c) Het behoud van het gunsttarief

Om het voordeel van het gunsttarief te kunnen behouden, is er een voorwaardelijk tijdelijk vervreemdingsverbod:“Het recht op ontheffing vervalt bij elke vervreemding onder de levenden van het beschermde monument binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat de beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, zijn beëindigd".Wordt niet aan die voorwaarde voldaan, dan wordt er geen attest afgeleverd dat de ontheffing mogelijk maakt: “Het attest, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden afgeleverd als het beschermde monument is vervreemd onder de levenden binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, is voldaan. Die vervreemding wordt door de instrumenterende ambtenaar gemeld aan het agentschap" (art. 3 van het nieuwe decreet). In dat geval kan er geen ontheffing (nieuwe term voor “teruggave”) bekomen worden.

d) Bijzondere regels

Het nieuwe decreet herneemt in het nieuwe art. 2.8.4.4.1, §4 en §5 VCF de bijzondere regels die reeds gebezigd werden voor de schenking van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden, met name het progressievoorbehoud en de opschortende voorwaarde:“§ 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave, vermeld in paragraaf 1, wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen zijn geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.§ 5. Bij een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte”.De Memorie van Toelichting wijst erop dat deze nieuwe bepalingen volledig synchroon zijn met die voor de schenking van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden (MvT, p. 12). De bewoordingen zijn inderdaad quasi-identiek.

e) Geen cumul

Het nieuwe decreet bepaalt ook dat het voordeel van de toepassing van art. 2.8.4.4.1, paragraaf 1 of 3 niet kan “gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 als de voormelde premies betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° " (nieuw art. 2.8.4.4.1, § 6 VCF).Voor de andere beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die de eigenaar wil laten uitvoeren (en die niet gedekt zijn door de verlaging van de schenkbelasting), gelden de regels voor het bekomen van een erfgoedpremie of onderzoekspremie , zoals bepaald in het Onroerenderfgoeddecreet en het Onroerenderfgoedbesluit. Het moet in de respectievelijke aanvragen voldoende duidelijk zijn waarvoor de investeringen gedaan zijn (MvT, p. 5).De beide systemen zijn dus complementair (MvT, p. 6), maar mogen niet gecumuleerd worden (MvT, p. 12; Verslag, p. 4-5). Voor hetzelfde werk kan er geen cumulatie zijn (Verslag, p. 8).

f) verkooprecht

Volledigheidshalve moet vermeld worden dat er ook een gunstregeling is voor de verkrijging onder bezwarende titel bij authentieke akte van de geheelheid eigendom van een beschermd monument (art. 7 van het nieuwe decreet houdende toevoeging van een nieuw art. 2.9.4.2.10 VCF; zie ook de art. 3 en 9 van het nieuwe decreet). Het verkooprecht wordt gehalveerd.

g) Inwerkingtreding

Het nieuwe decreet bepaalt niets over de inwerkingtreding. Volgens het Verslag namens de Commissie (Verslag, p. 4) zou de beoogde inwerkingtreding 1 juli 2017 zijn. Maar dat is niet terug te vinden in de uiteindelijke tekst. Derhalve is de nieuwe regeling van toepassing op de tiende dag na publicatie in het Belgisch Staatsblad, hetzij 14 mei 2017.

Bespreking

Hierna volgen nog enkele beschouwingen.

a) Vermindering van de schenkbelasting voor beschermde monumenten

Het woord “vermindering” is ongelukkig omdat het hier niet gaat om een “vermindering” in de zin van titel 2, hoofdstuk 8, afdeling 5 van de VCF, maar om een “bijzonder (lager) tarief” in de zin van titel 2, hoofdstuk 8, afdeling 4 van de VCF.

a) Algemene beoordeling

De nieuwe regeling biedt dus een terugbetaling van een deel van de schenkbelasting na verloop van 5 jaar en op voorwaarde dat er een investering is gebeurd van het te bekomen voordeel in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoed kenmerken en –elementen van het geschonken goed (MvT, p. 4).Anders gezegd, de begiftigde (die in principe de schenkbelasting moet dragen) moet de werken voorfinancieren en krijgt na 5 jaar een terugbetaling.

De vraag is of deze maatregel succes zal hebben. Het verlaagde tarief voor de schenking van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden, is alleszins geen groot succes geweest, want het wordt nauwelijks toegepast. De verlaging van de schenkbelasting is in casu dezelfde, zodat ook in casu het succes niet gegarandeerd is. Het ware enkel anders indien er in het algemeen een verplichting zou bestaan om over te gaan tot het nemen of verrichten van beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en –elementen van het geschonken en beschermde goed. In dat geval zal wel systematisch voor het verlaagde tarief gekozen worden. Als er dan toch moet geïnvesteerd worden …Ook in het Vlaams Parlement werd getwijfeld aan het voldoende karakter van de stimuli (Verslag, p. 6). Er werd ook gesteld dat de nieuwe regeling fiscaal interessant is als de uitgaven niet te groot zijn en dat zij dus het onderhoud zal stimuleren. Het bedrag is echter klein in verhouding tot bijvoorbeeld de kosten voor de herstelling van een dak. (Verslag, p. 7).

Ter vergelijking: bij de verkoop wordt het tarief in de registratiebelasting gehalveerd.

Volgens Minister-president Geert Bourgeois wordt het systeem ingevoerd en zal het na verloop van tijd worden beoordeeld om na te gaan wat het effect ervan is.

b) Het moet gaan om de schenking “van de geheelheid eigendom (sic) van onroerende goederen in het Vlaams Gewest” (§1) of van “een onroerend goed in het Vlaamse Gewest” (§3)

Er is een zeker parallellisme met de tekst van art. 2.8.4.3.1, §1, lid 1 en van art. 2.8.4.3.1, §3 VCF. Maar er zijn enkele terminologische verschillen.Duidelijk in §1 is alleszins dat het geheel van het onroerend goed moet worden geschonken, niet een onverdeeld aandeel. De Memorie van Toelichting preciseert waarom voor de “geheelheid” is gekozen (MvT, p. 7). Onder meer wordt erop gewezen dat, gelet op de lage tarieven in de schenkbelasting van onroerend goed, het doen van “salamischenkingen” overbodig is.Het woord “eigendom” is daarentegen niet duidelijk: wordt zowel de blote eigendom als de volle eigendom bedoeld of enkel de volle eigendom? In §3 daarentegen is er enkel sprake van “een onroerend goed in het Vlaamse Gewest”. In de Memorie van Toelichting wordt als reactie op het advies van de Raad van State, en zonder een onderscheid te maken tussen §1 en §3, gesteld dat eigendom zowel volle als blote eigendom kan zijn, zodat de gunstregel ook van toepassing is bij een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik. In dat laatste geval moeten de beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten niet noodzakelijk door de begiftigde(n) worden uitgevoerd (MvT, p 8). Quid met vruchtgebruik? Dat wordt bewust uitgesloten. In de Memorie van Toelichting wordt daarvoor een objectieve rechtvaardiging gegeven, met name de koppeling aan de verkrijging van een duurzaam eigendomsrecht. Er is dus volgens de decreetgever geen schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gezien de verschillende behandeling berust op objectieve en pertinente criteria en redelijk verantwoord is (MvT, p. 8-9).Blijkbaar (want de woorden “gelegen in” worden niet gebezigd) is vereist dat het onroerend goed in het Vlaamse Gewest moet gelegen zijn. De vraag is of dit wel verenigbaar is met het Europese recht. Dezelfde voorwaarde in het raam van de vrijstelling voor bossen, is thans onderworpen aan een toetsing door het Hof van beroep te Antwerpen.De Memorie van Toelichting stelt in dit verband enkel dat “vermits het lokalisatiecriterium van de schenkbelasting niet de ligging van het geschonken onroerend goed is, maar wel de fiscale woonplaats van de schenker, wordt gepreciseerd dat de geschonken onroerende goederen moeten gelegen zijn in het Vlaamse Gewest” (MvT, p. 12) . Dat is dus duidelijk een bewuste keuze, maar de vraag blijft of dit “Europa-proof” is.

Wat de formele voorwaarden betreft ontsnapt mij de reden waarom het voornemen om de toepassing van de gunstregeling te vragen, moet vermeld worden, en niet zonder meer de vraag om de gunstregeling toe te passen.

c) De teruggave

De vraag is aan wie het verschil in schenkbelasting moet teruggegeven worden. Dit kan belangrijk zijn indien conventioneel (in de schenkingsakte) bepaald is dat de schenkbelasting betaald en gedragen zal worden door de schenker(s). De Memorie van Toelichting wil vermijden dat er onduidelijkheid zou ontstaan met betrekking tot de persoon die aanspraak kan maken op de teruggave, maar beantwoordt voormelde vraag niet. Vermits de begiftigde belastingplichtige is (art. 2.8.2.0.1 VCF), lijkt het logisch dat dit aan de begiftigde wordt terugbetaald, maar ontheffing kan ook door de belastingschuldigde worden gevraagd (art. 3.6.0.0.1 VCF).

(B.S. 4 mei 2017)

N. Geelhand de Merxem