Huber Crommen Geelhand Barbaix

Schenkingen van roerende goederen onder last van een vaste lijfrente en schenkingen van delen van een burgerlijke maatschap onder vuur.

| Nicolas Geelhand de Merxem

Vorige week werd door Vlabel een voorafgaande beslissing bekendgemaakt, die al heel wat stof deed opwaaien in de sector van de successieplanning.

Een jong Vlaams koppel (45 en 42 jaar oud) vroeg aan Vlabel of er een kans bestond dat de door hen voorgenomen schenking aan hun twee minderjarige kinderen (4 en 7 jaar oud) bij hun overlijden toch nog belast zou worden in de erfbelasting. Zij hadden de aandelen van hun patrimoniumvennootschap ingebracht in een burgerlijke maatschap en wilden vervolgens de delen van de burgerlijke maatschap in volle eigendom schenken aan hun kinderen, doch onder last van een lijfrente van 3% van het kapitaal. Zij wilden dit doen bij Nederlandse notariële akte.

Meer bepaald werd gevraagd of deze schenking art. 2.7.1.0.7 VCF (over de zgn. “gesplitste inschrijving”) zou “frustreren”. De interpretatie van deze bepaling door Vlabel impliceert dat de schenking van effecten onder voorbehoud van vruchtgebruik eerst in België moet worden geregistreerd (aan 3% of 7%) en pas daarna in de verhouding vruchtgebruik/blote eigendom mag worden ingeschreven in het matenregister. Wordt die bepaling omzeild door de schenking in volle eigendom te doen, maar onder last van een lijfrente, zodat er op grond van het fiscaal misbruikbeginsel toch erfbelasting moet betaald worden?

Vlabel antwoordt dat dit niet het geval is, althans op voorwaarde dat het gaat om een vaste rente en dat het bedrag niet zo geformuleerd wordt dat het gelijkstaat met een vruchtgebruik. Op het eerste gezicht goed nieuws dus.

Maar Vlabel stelt vast dat de last in casu zo hoog oploopt, dat het in feite geen schenking meer is en de overeenkomst moet worden geherkwalificeerd als een contract onder bezwarende titel. Gelet op de levensverwachting van de schenkers en de jaarlijkse rente (30.000 euro), zou het kapitaal (1 miljoen euro) nog vóór het overlijden van de schenkers volledig uitgeput zijn. Daaruit volgt, volgens Vlabel, dat art. 2.7.1.0.9 VCF van toepassing is, zodat er bij het overlijden van de ouders erfbelasting zal verschuldigd zijn op het volledige bedrag van de schenking. Immers, deze bepaling stelt dat er erfbelasting verschuldigd is wanneer de erflater roerende goederen verkoopt of afstaat aan erfgenamen, indien de erflater volgens de overeenkomst de afstand van een levenslang recht in zijn voordeel heeft bedongen.Deze beslissing is voor kritiek vatbaar, vooreerst omdat er geen rekening wordt gehouden met het jaarlijks rendement van de geschonken goederen, en vervolgens omdat dit fictief legaat niet speelt wanneer de prestaties gelijkwaardig zijn. Welnu, per hypothese zijn de prestaties gelijkwaardig, omdat Vlabel besluit tot het bezwarend karakter van de overeenkomst. Indien de rente stipt betaald wordt, wat de bedoeling van de partijen is, zal er geen toepassing van art. 2.7.1.0.9 VCF zijn.

Vlabel haalt tenslotte nog een derde punt aan. Volgens Vlabel zal er bij het overlijden van de schenkers ook erfbelasting verschuldigd zijn op de geschonken goederen wanneer het gaat om delen van een maatschap en wanneer de schenkers via de statuten van de maatschap de controle over het vermogen van de maatschap behouden. Vlabel steunt deze stelling op het feit dat art. 2.7.1.0.3,3° VCF wordt gefrustreerd. Volgens deze bepaling wordt een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde of termijn van het (voor)overlijden van de schenker niet in de schenkbelasting belast maar in de erfbelasting. Immers, aldus Vlabel, in de beide gevallen kunnen de begiftigde kinderen slechts vrij beschikken over het geschonken vermogen na het overlijden van de langstlevende van de ouders. De rechtsgevolgen zijn dus in de beide gevallen identiek. Ook deze beslissing is voor kritiek vatbaar, omdat de gevolgen juridisch helemaal niet identiek zijn en omdat er moet gehandeld worden in strijd met de doelstelling van art. 2.7.1.0.3,3° VCF. Dit is o.i. niet het geval.

Er zijn nog twee bijkomende vragen die in dat verband rijzen.

De eerste vraag is of Vlabel, die de fictiebepalingen hoe langer hoe meer strenger interpreteert dan de federale administratie, wel bevoegd is om de art. 2.7.1.0.1 e.v. VCF te interpreteren en om rulings uit te vaardigen over deze bepalingen. Het Vlaamse Gewest is immers niet bevoegd om op te treden inzake de belastbare materie. Volgens ons horen de fictiebepalingen thuis bij de belastbare materie en niet bij de belastbare grondslag.

Een tweede vraag is wat Vlabel gaat doen met de reeds bestaande schenkingen onder last van een lijfrente en de reeds gedane schenkingen van delen van een burgerlijke maatschap. Zal Vlabel ook deze oude schenkingen in de erfbelasting in de erfbelasting belasten of enkel de schenkingen die te rekenen vanaf de publicatie van de beslissing zullen gedaan worden? De rechtszekerheid eist dat de oude schenkingen buiten schot blijven. Immers, niemand kon vermoeden dat Vlabel in de toekomst tot deze herkwalificatie zou overgaan. Vlabel heeft nog nooit geweigerd een schenking onder last van een lijfrente te belasten aan 3% of 7% en heeft nog nooit geschonken delen van een burgerlijke maatschap in de erfbelasting belast (buiten de toepassing van art. 2.7.1.0.5 VCF).

Er zal ongetwijfeld veel kritiek komen op deze beslissingen, zoals dit ook het geval was met de “verzekeringsgift” en de “gesplitste inschrijving”. Misschien wordt de wettigheid ervan zelfs (terecht) aangevochten voor de rechtbank. In afwachting houdt men er best rekening mee.

N. Geelhand de Merxem

(Voorafg. Besl. nr. 16046 dd. 14.11.2016)