Huber Crommen Geelhand Barbaix

Schenking in extremis na uitbreng uit het gemeenschappelijk vermogen: geen fiscaal misbruik

| Nicolas Geelhand de Merxem

Een onder het wettelijk stelsel gehuwd en kinderloos echtpaar gaat in december 2016 over tot een (symmetrische) uitbreng van roerende goederen naar het eigen vermogen van elke echtgenoot. Voor de niet uitgebrachte goederen wordt in een keuzebeding voorzien. Op diezelfde dag wordt door de (terminaal zieke) man de hem toebedeelde roerende goederen aan zijn echtgenote geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik, en met daaraan gekoppeld een fideicommissum de residuo in het voordeel van familieleden van beide echtgenoten (die bij de akte verschijnen en de schenking de residuo aanvaarden). Er wordt schenkbelasting geheven en betaald.

Twee dagen later overlijdt de man.

Na het overlijden kiest de langstlevende echtgenote voor de toebedeling van alle (resterende) gemeenschappelijke goederen in volle eigendom.

Volgens Vlabel is er sprake van fiscaal misbruik (frustreren van art. 2.7.4.1.1 VCF en van art. 2.7.1.0.4 VCF).

In eerste aanleg oordeelde de Rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dat er geen fiscaal misbruik was gepleegd.

Dit vonnis wordt thans door het Gentse Hof van beroep bevestigd (arrest van 27 april 2021).

Het Hof vermeldt in eerste instantie een aantal principes die door het Grondwettelijk Hof inzake het algemeen fiscaal anti-misbruik beginsel zijn uiteengezet (GwH 30 oktober 2013 (nr. 141/2013)).

Vervolgens stelt het Hof, andermaal (zie Gent 16 juni2020) dat het feit dat een fictiebepaling niet van toepassing is, de toetsing van het algemeen fiscaal anti-misbruikbeginsel niet onmogelijk maakt (de jure), maar dat uit een in concreto toetsing van de kwestieuze rechtshandelingen zal blijken of dat beginsel al dan niet de facto van toepassing is.

Verder stelt het Hof dat de echtgenoten zich niet buiten het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.4 VCF hadden geplaatst, maar wel buiten het toepassingsgebied van art. 2.7.4.1.1 VCF.

Last but not least stelt het Hof dat Vlabel niet aantoont dat de echtgenoten gehandeld hadden in strijd met de doelstellingen van art. 2.7.1.0.4 VCF en/of in strijd met de doelstellingen van art. 2.7.4.1.1 VCF (juister art. 2.7.1.0.1-2 VCF). Meer bepaald is het doen van een schenking (van roerende goederen) in extremis, niet strijdig met de doelstellingen van art. 2.7.1.0.1-2 VCF. Dit blijkt trouwens a contrario uit art. 2.7.1.0.5 VCF. Ook het zich buiten het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.4 VCF stellen (quod non) geschiedde niet in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, vermits de verdeling bij leven is gebeurd (zie reeds Gent 16 juni 2020) en de overdracht aan de echtgenote bij een geregistreerde schenking is verwezenlijkt.

Om te besluiten doet het Hof nog twee uitspraken:

"Het komt noch aan de administratie noch aan de rechter toe om de doelstellingen van de wettelijke bepaling uit te breiden."

"Niets belet een belastingplichtige om vrij te kiezen voor de minst belaste weg."

Vermits Vlabel niet aantoont dat aan de toepassingsvoorwaarden van het fiscaal misbruik is voldaan, is een onderzoek naar de niet-fiscale motieven van de echtgenoten niet aan de orde.

Dit arrest toont opnieuw aan dat men de kwalificatie van rechtshandelingen door Vlabel als fiscaal misbruik steeds kritisch moet bestuderen. Meer dan eens is die kwalificatie immers niet correct.

Nicolas Geelhand de Merxem