Huber Crommen Geelhand Barbaix

Oude verzekeringsgift blijft fiscaal performant

| Ayfer Aydogan

Hoewel het ‘kerstdecreet’ (Vlaams decreet van 23 december 2016, BS 30 december 2016) de verzekeringsgift minder aantrekkelijk heeft gemaakt als techniek van successieplanning, blijkt uit recente rechtspraak van het Hof van Beroep te Gent dat verzekeringsgiften uit het verleden doeltreffend blijven en erfbelasting na het overlijden van de schenker uitgesloten is.

Tot enkele jaren geleden werd een levensverzekering vaak door de verzekeringnemer geschonken aan de begunstigde. Zo was er niet meer sprake van een beding ten gunste van een derde (AAB-polis) maar van een beding ten gunste van zichzelf (BAB-polis) en kon bij het overlijden van de schenker art. 2.7.1.0.6 VCF niet worden toegepast op de uitkering (die bepaling geldt immers slechts voor bedingen ten gunste van derden). Dat deze techniek van de verzekeringsgift tot een besparing van successierechten leidde, werd destijds ook door de federale administratie bevestigd.

Toen Vlabel in oktober 2015 standpunt nr. 15133 publiceerde, keerde echter het tij. Volgens Vlabel bleef de uitkering uit een levensverzekering onderworpen aan art. 2.7.1.0.6 VCF, zelfs wanneer er een verzekeringsgift had plaatsgevonden die aan schenkbelasting was onderworpen. Alle kritiek op dit standpunt en spijt, werd het verankerd door het kerstdecreet (weliswaar op een eigenaardige manier) voor overlijdens vanaf 1 januari 2017.
Aan art. 2.7.1.0.6, §2, tweede lid VCF waarin wordt bepaald dat de uitkeringen vermoed worden kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs, is toegevoegd dat een verzekeringsgift dat tegenbewijs niet kan schragen. Ook na de verzekeringsgift moet de begunstigde dus in principe erfbelasting betalen op de uitkeringen. Om billijkheidsredenen heeft de decreetgever wel een mildering ingevoerd. Om dubbele belasting te vermijden, wordt de belastbare grondslag waarop schenkbelasting was geheven (de afkoopwaarde van de polis) in mindering gebracht van de belastbare grondslag waarop erfbelasting (de verzekeringsprestatie) wordt geheven (art. 2.7.3.2.8 VCF). Deze mildering geldt voor overlijdens vanaf 9 januari 2017.

Uit een recent arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 oktober 2020 blijkt dat men bij de toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF op uitkeringen uit een levensverzekering die het voorwerp van een verzekeringsgift is geweest, steeds nauwgezet een analyse moet maken van de elementen ratione temporis. In casu had de verzekeringnemer alle rechten die zij ontleende aan twee levensverzekeringen in 2011 notarieel geschonken aan haar twee kinderen. Op de afkoopwaarde van de levensverzekeringen werd schenkbelasting betaald. Schenkster overleed op 27 augustus 2016. Vlabel hief erfbelasting op de uitkeringen met toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF en verwees hiervoor naar standpunt nr. 15133. De kinderen hebben dit gerechtelijk betwist en kregen gelijk in eerste aanleg. Het Hof van Beroep heeft dit bevestigd op 6 oktober 2020. Dit is overigens niet de eerste uitspraak in deze zin. Op 19 mei 2020 heeft het Hof zich in vergelijkbare zin uitgesproken. Naar verluidt, zijn er nog verschillende gelijkaardige procedures hangende voor het Hof. Het is te verwachten dat het Hof tot vaste rechtspraak zal komen.

Belangrijk is de redenering die het Hof in het hier besproken arrest heeft opgebouwd.
Het Hof geeft uitdrukkelijk aan dat ingevolge de verzekeringsgift het beding ten behoeve van een derde een beding ten behoeve van zichzelf is geworden, waardoor art. 2.7.1.0.6 VCF geen toepassing vindt. Het Hof beklemtoont ook dat men er in 2011 vanuit kon gaan dat een beding ten gunste van zichzelf waarvan sprake na een verzekeringsgift niet belastbaar zou zijn op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF. Vlabel kan niet op basis van het eigen standpunt nr. 15133 in 2015 erfbelasting heffen op de uitkeringen uit een levensverzekering die geschonken werd aan de begunstigden terwijl er in 2015 geen sprake was enige wetswijziging.
Bovendien beklemtoont het Hof dat, zelfs als het standpunt nr. 15133 van Vlabel juridisch correct zou zijn, het afbreuk doet aan de rechtszekerheid. Essentieel is dat het Hof daarbij het beginsel van rechtszekerheid koppelt aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Zo wordt een en ander in verband gebracht met een internationale rechtsregel waarvan de voorrang in casu ongetwijfeld een doorslaggevend argument is geweest.

Ook bevestigt het Hof het wettelijke non-retroactiviteitsbeginsel (art. 1 BW) door aan te geven dat een gewijzigde wettekst niet kan worden toegepast op reeds voltrokken feiten. De temporele referentie in casu is de datum van de verzekeringsgift. De fiscale gevolgen worden op die datum bepaald. Bijgevolg moet men uitsluitend rekening houden met de fiscale wetgeving op dat ogenblik.

Hoewel het Hof het voorgaande bevestigt, valt het te betreuren dat het Hof eveneens verwijst naar het ogenblik van het overlijden van de schenker/verzekerde (in casu vóór de inwerkingtreding van het kerstdecreet). De relevantie daarvan is m.i. echter nihil. Een verstrengde fictiebepaling mag geen rechtshandelingen uit het verleden treffen, ongeacht wanneer het overlijden plaatsvindt en de regels die op dat laatste ogenblik van toepassing zijn (A. AYDOGAN, “Verstrengde fictiebepaling ‘post factum’: rechtszekerheid zegeviert”, Nieuwsbrief Succ. 2020, afl. 2, 1). Dàt is de essentie van het non-retroactiviteitsbeginsel. De gevolgen van een rechtshandeling moeten duidelijk zijn op het ogenblik dat die rechtshandeling wordt gesteld en belastingplichtigen moeten erop kunnen vertrouwen dat de regels niet voor het verleden worden aangepast.

Naar verluidt, zou Vlabel niet berusten in het arrest van 6 oktober 2020 en een voorziening in cassatie instellen.

Ayfer Aydogan