Huber Crommen Geelhand Barbaix

Niet alle pakjes onder de kerstboom van Vlabel zijn cadeau’s

| Nicolas Geelhand de Merxem

Niet alle pakjes onder de kerstboom van Vlabel zijn cadeau’s

Net voor Kerst, met name op 22 en 23 december 2017 werden nog een aantal voorafgaande beslissingen gepubliceerd op de website van Vlabel.

1. Inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijk vermogen gevolgd door een schenking aan de kinderen

Voorafg.besl. nr. 1741 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking an de kinderen”, publ. 22.12.2017; Voorafg.besl. nr. 1742 dd. 11.12.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017; Voorafg.besl. nr. 17032 dd. 13.11.2017, “Inbreng in huwgemeenschap door werking bepaling van het huwcontract gevolgd door schenking”, publ. 22.12.2017; Voorafg.besl. nr. 1734 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017.

In vier voorafgaande beslissingen bevestigt Vlabel haar vroegere beslissingen: de huwelijksgemeenschap hoeft geen volwaardig gemeenschappelijk vermogen te zijn. Een beperkte gemeenschap[1] of een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) [2] is voldoende.

Een tijdspanne van drie of vier jaar tussen de inbreng en de schenking is voldoende om te stellen dat er geen eenheid van opzet is[3]. A fortiori geldt dat ook wanneer de periode veel langer is[4]. Indien de inbreng gebeurde vóór 1 juni 2012, kan het fiscaal misbruik sowieso niet worden toegepast[5].

Nieuw is wel dat met de daadwerkelijke inbreng door een echtgenoot gelijk wordt gesteld de clausule in het huwelijkscontract dat de huwelijksgemeenschap zou bestaan uit alle “onroerende goederen aan één of beide echtgenoten toekomende bij wijze van schenking onder levenden vastgesteld bij authentieke akte”[6]. Kortom, de inbreng van toekomstige onroerende goederen wordt ook geviseerd door de zwarte lijst in de omzendbrief. De vraag is dan wel vanaf welk ogenblik de termijn van 3 jaar begint te lopen: vanaf de opname van het beding van inbreng van toekomstige goederen in het huwelijkscontract of vanaf de schenking?

Belangrijk is ook het feit dat de aspirant-schenkers bij het doen van de inbreng niet reeds de toekomstige schenking van het onroerend goed voor ogen hadden, maar een andere bedoeling hadden: b.v. de verzorging van de langstlevende echtgenoot[7], door het werken met een keuzebeding, met een verbod tot vervreemding en een beding van terugkeer die ten aanzien van de beide echtgenoten zouden gelden[8].

In dat geval zijn er andere dan fiscale motieven: bv. het feit dat op de ingebrachte grond woningen met aan de beide echtgenoten toebehorende onverdeelde gelden werden gebouwd, waardoor de inbreng door de echtgenoten werd beschouwd als een vergoeding voor het feit dat de woningen juridisch gezien een eigen karakter in hoofde van de inbrengende echtgenoot hadden. Dit was des te meer het geval aangezien er in de akte wijziging huwelijkscontract geen vergoedingsregeling werd voorzien voor wat betreft de ontbinding van het huwelijk in geval van overlijden van één van de echtgenoten of om enige andere reden. Deze aangehaalde motivering speelde blijkbaar mee in de beslissing[9]. Dat is merkwaardig want deze klassieke argumentatie werd in tal van eerdere beslissingen niet aangehouden als zijnde relevant.

In een zaak waarin de ouders een klein deel van recent ingebrachte onroerende goederen (gezinswoning) wilden schenken met voorbehoud van vruchtgebruik, vond Vlabel dat er geen eenheid van opzet was. Die schenking was immers bedoeld om een na de inbreng door de echtgenoten en hun kinderen aangekocht achterliggend perceel grond (gesplitste aankoop vruchtgebruik/blote eigendom) te vergroten[10. Ten tijde van de inbreng kon die aankoop en dus ook die toekomstige schenking niet voorzien worden. Bovendien waren de ingebrachte goederen veel ruimer dan het te schenken goed.

Ook het feit dat bij de inbreng in 2014 de verlaging van het tarief voor schenking van onroerende goederen nog niet kon worden voorspeld, wordt door Vlabel andermaal als een relevant argument bevonden om te stellen dat er geen eenheid van opzet is omdat de echtgenoten bij de inbreng niet de bedoeling hadden te schenken[11].

2. Wederzijdse schenking met beding van conventionele terugkeer

Voorafg.besl. nr. 17033 dd. 13.11.2017, “Wederzijdse schenking met beding van conventionele terugkeer”, public. 22.12.2017

Vlabel bevestigt dat bij een wederzijdse of gekruiste schenking tussen echtgenoten van de onverdeelde helft van hetzelfde goed (in casu een onroerend goed in onverdeeldheid) de VCF wordt gefrustreerd en het fiscaal misbruik van toepassing is[12].

De feiten. Twee kinderloze, in zuivere scheiding van goederen gehuwde echtgenoten, wensten dat een appartement dat hen samen, ieder voor de onverdeelde helft in onverdeeldheid toebehoorde, bij het overlijden van één van hen aan de langstlevende echtgenoot zou toekomen. Bij de aankoop hadden zij dan ook een beding van aanwas aangegaan waardoor bij het overlijden van een echtgenoot het volledige onroerend goed in volle eigendom aan de langstlevende zou toekomen. Wellicht omdat door de verlaging van de tarieven voor schenkingen van onroerende goederen de wederzijdse schenking goedkoper zou uitvallen dan de aanwas (3% en 9% in plaats van 10%), beslisten de echtgenoten over te stappen naar een gekruiste schenking “teneinde zichzelf te beschermen bij overlijden van één van hen” (animo speculandi). De wederzijdse schenking zou in één akte worden doorgevoerd, met name in het huwelijkscontract, waardoor art. 1097 B.W. buiten spel zou worden gezet. Aan de schenkingen werd ook een beding van conventionele terugkeer gekoppeld. Door de schenking in één akte en de leer van de afhankelijke bepalingen zou slechts op één schenking geheven worden, namelijk de schenking die aanleiding zou geven tot het hoogste rechten (art. 2.8.4.1.2 VCF).

De beslissing van Vlabel. Vlabel bevestigt vooreerst dat een wederkerige schenking van de onverdeelde helft van een onroerend goed, dat zich niet in een gemeenschappelijk vermogen bevindt, niet valt onder de toepassing van art. 2.7.1.0.4 VCF.

Maar volgens Vlabel is er wel fiscaal misbruik wegens het “frustreren” van art. 2.7.4.1.1, §1, VCF. Meer bepaald is er fiscaal misbruik omdat de echtgenoten het tarief in de erfbelasting (bij vermaking door een testament) willen ontwijken, door toepassing te maken van het veel voordeliger tarief in de schenkbelasting (bij het doen van een wederkerige schenking).

Het grote en enige argument van Vlabel is dat de echtgenoten in casu niet kunnen aantonen dat zij andere dan fiscale motieven hebben. Er zijn geen burgerrechtelijke motieven omdat de toestand voor en na de schenking juist dezelfde is. Elke echtgenoot is eigenaar van de onverdeelde helft van het onroerend goed. Dus kan de verrichting enkel ingegeven zijn door fiscale motieven.

We citeren hierna de integrale motivering: “Burgerrechtelijk gezien heeft de wederzijdse schenking op zich geen nut, vermits de volle eigendom van de helft van het onroerend goed die respectievelijk aan elk van de echtgenoten toebehoren, door de schenking worden vervangen door dezelfde rechten in het onroerend goed.

Het feit dat artikel 2.7.1.0.4 VCF niet kan worden toegepast, belet niet dat de voorgenomen verrichting als fiscaal misbruik kan gekwalificeerd worden.

Door de voorgenomen verrichting wordt art. 2.7.4.1.1, §1, VCF gefrustreerd. De wederzijdse schenking zal worden belast met de schenkbelasting op de verkoopwaarde van de onverdeelde helft van het onroerend goed (zie hierna). Deze tarieven zijn voordeliger dan de tarieven in de erfbelasting. Bovendien wordt de progressiviteit in de erfbelasting vermeden indien één van de partners overlijdt drie jaar na de schenking. Indien het beding van conventionele terugkeer bij overlijden van één van de partners door de andere partner wordt ingeroepen is het resultaat van de schenking van de onverdeelde helft of de vererving van de onverdeelde helft hetzelfde.

De aanvragers dienen aldus te bewijzen dat de keuze voor de voorgenomen verrichting verantwoord is door andere dan fiscale motieven.

Hiertoe verklaren de aanvragers dat zij zichzelf wensen te beschermen bij overlijden van één van hen.

Bij het overlijden van één van de echtgenoten (zonder een testament te hebben gemaakt) erft de langstlevende inderdaad enkel het vruchtgebruik op de eigen goederen van de overledene.

Evenwel dient vastgesteld te worden dat door het uitvoeren van de voorgenomen rechtshandeling de toestand op burgerrechtelijk vlak ongewijzigd blijft.

Zo zal in de huidige toestand, waarbij in de aankoopakte van 2006 een beding van aanwas in volle eigendom werd opgenomen, de langstlevende echtgenoot na het overlijden van de eerststervende volle eigenaar zijn van het aangekochte appartement en kelder, mits betaling van de verschuldigde registratiebelasting (10%).

Na de uitvoering van de voorgenomen rechtshandelingen, zal de toestand identiek zijn. De onverdeelde helft van het aangekochte goed wordt wederzijds geschonken. Bij het overlijden van de eerststervende zullen bij toepassing van het beding van conventionele terugkeer de volle eigendom van het onroerend goed volledig toekomen aan de langstlevende.

De burgerrechtelijke motieven die de aanvragers aanvoeren kunnen niet weerhouden worden. Aldus blijven er enkel fiscale motieven voor het uitvoeren van de voorgenomen rechtshandeling en is er sprake van fiscaal misbruik”.

De bespreking van de beslissing van Vlabel. Deze beslissing is juridisch onjuist omdat Vlabel art. 3.17.0.0.2 VCF andermaal verkeerd toepast.

Art. 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt: “Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.”

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.

Welnu, volgens art. 3.17.0.0.2 VCF is er enkel sprake van fiscaal misbruik wanneer aan drie constitutieve voorwaarden voldaan is. De belastingplichtige moet immers door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen de volgende verrichting tot stand brengen :

1/ een verrichting waarbij hij zichzelf buiten het toepassingsgebied plaatst van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten;

2/ in strijd met de doelstellingen van deze bepaling,

3/ en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Belangrijk is ook dat de bewijslast bij Vlabel rust.

De derde voorwaarde (fiscale besparing) is vervuld vermits de wederkerige schenking aanleiding geeft tot de heffing van een schenkbelasting die lager ligt dan het verkooprecht (beding van aanwas) of dan de erfbelasting (testament).

De eerste voorwaarde is eveneens vervuld. De echtgenoten plaatsen zich, door het doen van een schenking, buiten het toepassingsgebied van (het tarief van) de erfbelasting (art. 2.7.4.1.1, §1 VCF).

Over de tweede voorwaarde zegt Vlabel, naar slechte gewoonte, niets. Vlabel zegt niet en onderzoekt ook niet of de geplande verrichting die art. 2.7.4.4.1, §1 VCF ontwijkt, in strijd is met de doelstellingen van deze bepaling. Wat is(zijn) de doelstelling(en) van deze bepaling?

Het belasten van verkrijgingen uit de nalatenschap of via fictiebepalingen door een erfgenaam of legataris aan een bepaald tarief: “De erfbelasting wordt berekend volgens het tarief , vermeld in de onderstaande tabellen”. Is de techniek van de wederkerige schenking in strijd met deze doelstelling? Uiteraard niet want een wederkerige schenking (van onroerend goed) is een schenking onder de levenden die niet onder de erfbelasting valt, omdat zij geen verkrijging uit de nalatenschap in houdt en niet onder een fictiebepaling valt. Art. 2.7.4.4.1, §1 VCF kan dan ook nooit de bedoeling hebben om (wederkerige) schenkingen onder de levenden te viseren. Het feit dat het om en wederkerige schenking gaat met een ontbindende voorwaarde van vooroverlijden verandert daar niets aan.

Vlabel toont dus niet alle constitutieve voorwaarden van art. 3.17.0.0.2 VCF in casu zijn vervuld. Er is dus geen fiscaal misbruik. Vermits er geen fiscaal misbruik is, is het al dan niet bestaan van andere dan fiscale motieven volstrekt irrelevant. Het “leitmotiv” van Vlabel dat de toestand vóór en na de wederkerige schenking (civielrechtelijk) dezelfde is en dus geen nut heeft, is niet aan de orde, daargelaten de juridisch onjuistheid van deze stelling. De stelling van Vlabel dat de toestand vóór en na de wederkerige schenking (civielrechtelijk) dezelfde als wanneer met een beding van aanwas of met een (wederkerig) legaat wordt gewerkt, en derhalve geen (civielrechtelijk) nut heeft, en dus enkel fiscaal is geïnspireerd, is dus evenmin aan de orde.

Bovendien zegt Vlabel expliciet of impliciet een aantal zaken die zeer betwistbaar zijn:

Bij een wederkerige schenking van de onverdeelde helft in een goed met een conventioneel beding van terugkeer, zijn de rechten van elke echtgenoot vóór en na de schenking identiek;

Er is fiscaal misbruik als je een fiscale goedkope techniek (wederkerige schenking met conventioneel beding van terugkeer) gebruikt in plaats van een dure techniek (beding van aanwas, testamentaire legaat).

Het standpunt van Vlabel geldt ook voor de wederkerige schenking van de onverdeelde helft van roerende goederen (bv. een effectenportefeuille). De redenering van Vlabel is daar ook op van toepassing.

Quid als de geschonken goederen niet dezelfde goederen zijn: echtgenoot A schenkt het goed x met een waarde van 100 aan B en echtgenoot B schenkt het goed y met een waarde van 100 aan A? De toestand vóór en na de schenking is dan niet identiek. Maar de tarieven zijn voordeliger dan de tarieven in de erfbelasting. Art. 2.7.4.1.1, §1 VCF blijft gefrustreerd.

Deze juridische grondslag leidt overigens tot absurde gevolgen. Vermits nagenoeg elk tarief in de schenkbelasting goed koper is dan het tarief in de erfbelasting, frustreert elke (wederkerige of eenzijdige) schenking art. 2.7.4.1.1, §1 VCF.

Echtgenoot A schenkt een (roerend of onroerend) goed x met een waarde van 100 aan echtgenoot B. Had echtgenoot A een testament gemaakt dan had B (een duurdere) erfbelasting betaald in plaats van (een goedkope) schenkbelasting.

Indien Vlabel een onderscheid zou maken tussen wederkerige schenkingen (fiscaal misbruik) en eenzijdige schenkingen (geen fiscaal misbruik), dan is er sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling. Een echtgenoot die 200 goederen bezit daar waar de andere echtgenoot geen vermogen bezit, kan fiscaal plannen (zich behoeden tegen een plots overlijden). Twee echtgenoten die elk 100 bezitten kunnen niet plannen (zich behoeden tegen een plots overlijden).

Besluit: bij mijn weten is er geen standpunt en geen voorafgaande beslissing waarin Vlabel aantoont dat de verrichting een bepaling van de VCF ontwijkt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling. Vlabel volhardt met deze voorafgaande beslissing in de boosheid. Zij “stelt” dat een wederkerige schenking met een beding van terugkeer een fiscaal misbruik is zonder aan te tonen dat alle voorwaarden vervuld zijn. Vlabel kan dus de facto de kwalificatie “fiscaal misbruik” toepassen telkens men zich aan de toepassing van een duurdere bepaling van de VCF onttrekt. M.a.w. het recht om de fiscaal meest gunstige weg te kiezen, bestaat niet meer in Vlaanderen , tenzij er duidelijke civielrechtelijke motieven zijn. Nog anders gezegd: Vlabel bepaalt wat belastbaar is en wat niet belastbaar is onder het mom van het fiscaal misbruik. Dit is strijdig met de Grondwet en het principe van de scheiding der machten.

3. Oprichting Belgische private stichting

Voorafg.besl. nr. 17040 dd. 27.11.2017, “Oprichting Belgische Private stichting”, public. 22.12.2017.

De feiten. Een in Vlaanderen wonende vader wil een Belgische private stichting oprichten met als doel het beheer van het vermogen en de verzorging en de bescherming van zijn dochter voor de tijd dat hij er niet meer zal zijn of zelf onbekwaam wordt. Die dochter (die zelf twee kinderen heeft) is blijkbaar niet in staat om haar vermogen zelf te beheren en is hiervoor aangewezen op enerzijds haar vader en anderzijds haar bewindvoerster. “De vader vreest dat de dochter na zijn overlijden (en na overlijden van zijn echtgenote) het geërfde vermogen niet gepast zal kunnen beheren. Hij wenst op een verantwoorde manier in een gedegen zorg voor zijn enige dochter te voorzien en in een tweede fase om zijn kleinkinderen een goede toekomst te bezorgen. Omwille van de complexe familiale context wenst de vader een Belgische private stichting op te richten die als doel zal hebben om zijn vermogen aan te wenden voor de bescherming en verzorging van zijn dochter en na haar overlijden, van zijn kleinkinderen”.

De motivering van de aanvrager. In de motivering stelt de aanvrager dat er voldaan is aan het belangeloos doel, met name de bescherming en verzorging van de dochter. Die zou volledig discretionair door het bestuur van de private stichting worden ingevuld. De vader zal een deel van zijn vermogen schenken aan de stichting en een ander deel legateren aan de stichting. Wat de uitkeringen betreft stelt de motivering het volgende:

12. De private stichting heeft tot doel om te voorzien in de bescherming en verzorging van de dochter. Binnen de verwezenlijking van dit (belangeloos) doel is de private stichting vrij om discretionair te bepalen hoe deze bescherming en verzorging zal gebeuren. Zij kan dit bijvoorbeeld doen door middel van (geldelijke) uitkeringen aan de dochter. Maar ook door onrechtstreekse geldelijke steun (ten laste nemen van facturen die de dochter moet betalen), dan wel door steun “in natura”, dan wel door kosten van de opvoeding en opleiding van de kinderen van de dochter ten laste te nemen.

*13.**De vader wenst middels huidige aanvraag tot voorafgaande beslissing zekerheid te bekomen dat de uitkeringen door de private stichting niet aan schenkbelasting conform art. 2.8.4.1.1 §2 VCF zullen onderworpen zijn.*

*14**. De vader wenst daarnaast zekerheid te bekomen dat een dergelijke uitkering van de private stichting niet aan erfbelasting onderworpen zal zijn en in het bijzonder niet zal worden gekwalificeerd als ‘een beding ten behoeve van een derde’ zoals bepaald in art 2.7.1.0.6 VCF.”*

De beslissing. Vlabel gaat eerst na of de betrokken stichting geldig zal worden opgericht, d.i. conform de wettelijke grond- en vormvoorwaarden. Dit is merkwaardig omdat Vlabel zich meestal niet inlaat met de civielrechtelijke geldigheid van de geplande verrichting. Vlabel besluit dat de wet zal worden gerespecteerd. Vlabel voegt er aan toe: “het doel van de stichting kan niet bestaan uit de zuivere overdracht van een vermogen naar een volgende generatie”.

Voorts bevestigt Vlabel dat het tarief in de schenkbelasting van 5,5% op de schenking van toepassing is, en dat het tarief in de erfbelasting van 8,5% op het testamentair legaat van toepassing is. De vraag is echter of de bestemming van een belangrijk deel van zijn vermogen voor een belangeloos doel een schenking is. Er is immers geen animus donandi aanwezig. Welnu het tarief van art. 2.8.4.1.1, §3 VCF is enkel van toepassing op schenkingen en niet op inbrengen om niet. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor art. 2.7.4.2.1 VCF wat de legaten betreft.

De belangrijkste vraag is echter die naar de belastbaarheid van de uitkeringen op grond van art. 2.7.1.0.6 VCF. Vlabel beslist dat er geen belasting is op die grond en motiveert het ontkennend antwoord als volgt : “Enkel die uitkeringen die door de private stichting tijdens de duur van stichting gedaan worden, die strikt kaderen binnen de verwezenlijking van het belangeloos doel en dus bestaan uit geldelijke uitkeringen of andere vormen van steun zoals bedoeld in de aanvraag en aldus vermeld supra onder nummer 12, zullen niet onderworpen worden aan erf- of schenkbelasting”.

Vlabel stelt dus dat die uitkeringen onbelast zullen blijven indien ze strikt kaderen binnen de verwezenlijking van het belangeloos doel. Dat is een belangrijk gegeven voor al diegenen die een dergelijke “familiale” stichting hebben opgericht om hun afstammelingen te verzorgen en te beschermen na hun overlijden.

Merkwaardig is dat Vlabel de vrijstelling van erf- en schenkbelasting uitbreidt tot “andere vormen van steun zoals bedoeld in de aanvraag en aldus vermeld supra onder nummer 12”. Bedoeld worden het voorzien van huisvesting, het voorzien van medische en psychologische begeleiding, enz. Die uitbreiding echter overbodig (althans wat de erfbelasting betreft), omdat art. 2.7.1.0.6 VCF enkel de uitkering van sommen, waarden en renten belast.

Vlabel stelt ook formeel dat die uitkeringen niet onderworpen zullen worden aan erf- of schenkbelasting. Hierover wilde de aanvrager uitsluitsel. Vlabel citeert echter enkel art. 2.7.1.0.6 VCF en niet art. 2.8.4.1.1, §2 VCF.

Vlabel antwoordt niet op de hamvraag waarom art. 2.7.1.0.6 VCF niet van toepassing is. Er is immers toch een beding opgelegd aan de stichting ten voordele van een derde, de dochter? De stichting moet immers uitkeringen doen aan de dochter op grond van dat derdenbeding?

Vlabel antwoordt ook niet op de (niet gestelde) vraag of er eventueel fiscaal misbruik zou zijn.

Besluit Uitkeringen door een Belgische private stichting gedaan binnen het raam van de verwezenlijking van het belangloos doel, zijn niet onderworpen aan de schenk- of erfbelasting.

Vlabel vaart dus verder een dubbele koers: belastbaarheid van uitkeringen door buitenlandse stichtingen (vgl. voorafg.besl. nr. 16025 dd. 27/6/16, “Liechtensteinse “stiftung”, publ. 29/7/16; voorafg.besl. nr. 16047 dd. 5/9/16, “Antilliaanse stichting”, publ.13/3/17) en onbelastbaarheid van uitkeringen door een Belgische private stichting. De vraag is of dit onderscheid op een objectief criterium rust, een wettig en actueel doel dient, dat pertinent is noodzakelijk en proportioneel.

N. Geelhand de Merxem

[1] Voorafg.besl. nr. 17032 dd. 13.11.2017, “Inbreng in huwgemeenschap door werking bepaling van het huwcontract gevolgd dor schenking”, publ. 22.12.2017.

[2] Voorafg.besl. nr. 1741 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking an de kinderen”, publ. 22.12.2017.

[3] Voorafg.besl. nr. 1741 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking an de kinderen”, publ. 22.12.2017; Voorafg.besl. nr. 1742 dd. 11.12.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017.

[4 Voorafg.besl. nr. 17032 dd. 13.11.2017, “Inbreng in huwgemeenschap door werking bepaling van het huwcontract gevolgd dor schenking”, publ. 22.12.2017.

[5] Voorafg.besl. nr. 17032 dd. 13.11.2017, “Inbreng in huwgemeenschap door werking bepaling van het huwcontract gevolgd dor schenking”, publ. 22.12.2017.

[6] Voorafg.besl. nr. 17032 dd. 13.11.2017, “Inbreng in huwgemeenschap door werking bepaling van het huwcontract gevolgd dor schenking”, publ. 22.12.2017.

[7] Voorafg.besl. nr. 1734 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017.

[8] Voorafg.besl. nr. 1742 dd. 11.12.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017.

[9] Voorafg.besl. nr. 1741 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017.

[10] Voorafg.besl. nr. 1734 dd. 13.11.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017.

[11] Voorafg.besl. nr. 1742 dd. 11.12.2017, “Inbreng in de huwgemeenschap van eigen goederen gevolgd door een schenking aan de kinderen”, publ. 22.12.2017

[12] Zie reeds voorafg.besl. nr. 16015 dd. 18.04.2016, “Schenking effectenrekening aan de langstlevende echtgenoot voor Nederlandse notaris met conventioneel beding van terugkeer en beding van fideï commis de residuo”, publ. 31.05.2016.

N. Geelhand de Merxem