Huber Crommen Geelhand Barbaix

Mag art. 2.8.3.0.1.§3, tweede zin VCF letterlijk geïnterpreteerd worden?

| Nicolas Geelhand de Merxem

Voormelde bepaling luidt letterlijk als volg:

"§ 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1."

De eerste zin van art. 2.8.3.0.1, §3 VCF is een uitzondering op de regel dat, voor de begroting van de grondslag van schenkingen, lasten niet in aanmerking komen. Deze uitzondering bestaat reeds lang.

Toen echter op het einde van 2003 een grote hervorming van de schenkingsrechten werd doorgevoerd, besliste de Vlaamse Decreetgever om de tarieven inzake de roerende schenkingen fors te verlagen. In plaats van een hoog progressief tarief (dat even hoog was als het tarief voor onroerende schenkingen) kwam er een vlak en laag tarief van 3% en 7%.

Deze wijziging noopte de decreetgever tot een aanpassing van art. 134 W.Reg. (thans 2.8.3.0.1, §3 VCF). Immers, door een schenking van een onroerend goed te doen aan kind A onder last om de helft van de tegenwaarde van het goed te betalen aan kind B, kon er aardig wat schenkingsrechten bespaard worden. Stel dat het onroerend goed een waarde heeft van 100, dan zou de (onroerende) schenking aan kind A (50) belast worden aan het hoge tarief inzake onroerend goed en zou de last aan kind B (50), die in wezen een secundaire roerende schenking uitmaakt, belast worden aan het lage tarief van 3%. Kortom, er was dus nood aan een fiscale anti-misbruikbepaling. Die bestaat er meestal in dat men belast alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Welnu, zei de Vlaamse Decreetgever: In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1. Met andere woorden, de roerende schenking aan kind B wordt genegeerd en fiscaal vervangen door een onroerende schenking, zodat de twee schenkingen (de hoofdschenking en de secundaire schenking) belast wordt aan het hoge tarief inzake onroerende goederen.

Volgens de commentatoren gold deze anti-misbruikbepaling ook voor de schenking van een bouwgrond onder last, voor welke schenking een iets lager tarief van toepassing was.

De Vlaamse Decreetgever had echter geen oog voor de hypothese van de schenking van onroerende goederen onder last aan een laag en vlak tarief en nog minder voor de hypothese van een schenking van onroerende goederen onder last aan het tarief van 0%.

In het standpunt nr. 20006 van 26 april 2021 Schenking van onroerende goederen met last – Impact vrijstelling schenkbelasting m.b.t. de hoofdschenking op de last gepubliceerd op 14 mei ll., stelt Vlabel wat volgt:

"• Een hoofdschenking omvat meerdere onroerende goederen
De schenking van deze onroerende goederen kan deels of volledig vrijgesteld zijn van schenkbelasting

bv. in toepassing van art 2.8.6.0.3 VCF: schenking van familiale bedrijfsactiva, waarbij naast onroerende goederen aangewend voor het familiaal bedrijf, ook onroerende goederen worden geschonken die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd. De vrijstelling is niet van toepassing op schenking van deze laatste onroerende goederen (die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd).

Aan deze schenking is ‘een secundaire schenking’ gekoppeld (bestaande uit een som, een rente of een pensioen)

De last of ‘secundaire schenking’ ten voordele van een derde die aanvaardt zoals bedoeld in art. 2.8.3.0.1, §3 VCF die gekoppeld is aan een rechtstreekse schenking van onroerende goederen, wordt voor de geheelheid onderworpen aan de tarieven van onroerende schenkingen zoals vermeld in art. 2.8.4.1.1, §1 VCF, ongeacht of de hoofdschenking van de onroerende goederen al dan niet (geheel of deels) is vrijgesteld van schenkbelasting."

Kortom, wanneer een schenking van een van schenkbelasting vrijgesteld onroerend goed aan kind A wordt gedaan (ten bedrage van 100), onder last een bedrag van 50 te betalen aan kind B, zal kind B schenkbelasting verschuldigd zijn aan het tarief van art. 2.8.4.1.1,§1 VCF.

De motivering van Vlabel luidt als volgt:

"In het laatste lid van artikel 2.8.3.0.1, §3 VCF wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen diverse soorten onroerende goederen en wordt er evenmin verwezen naar de vrijstellingsbepalingen."

Vlabel kijkt derhalve louter naar de letter van de VCF (“onroerende goederen”) en naar het feit dat de decreetgever geen uitdrukkelijke uitzondering heeft gemaakt voor de van schenkbelasting vrijgestelde onroerende goederen.

Welnu, de Vlaamse decreetgever, zo blijkt uit de parlementaire voorbereiding, heeft deze hypothese niet voor ogen gehad. Ook de commentatoren hebben daar geen oog voor gehad. Men heeft daar gewoon niet aan gedacht.

Eén ding is wel zeker. De tweede zin van art. 2.8.3.0.1, §3 VCF is enkel en alleen geschreven om te vermijden dat men de hoge schenkingsrechten op onroerend goed zou ontwijken door er een last aan toe te voegen waardoor de “secundaire schenking” aan het lage en vlakke tarief van 3% of 7% zou kunnen belast worden (in plaats van aan het hoge tarief).

Maar wanneer de hoofdschenking aan een kind vrijgesteld is van schenkbelasting, en daaraan een last gekoppeld wordt om een bedrag aan een ander kind te betalen, dan is er geen sprake van ontwijken van het hoge tarief in de onroerende schenkbelasting. In dat geval is er dan ook geen enkel bezwaar dat de secundaire schenking (die niet vrijgesteld is) belast wordt aan het vlakke tarief van 3% of 7%.

Met andere woorden, men kan bezwaarlijk een specifieke anti-misbruikbepaling toepassen in een hypothese waarin geen enkel misbruik wordt gepleegd, integendeel. Had de schenker de hoofdschenking aan kind A gedaan, zonder last, dan was de hele schenking vrij van schenkbelasting geweest. Door er een last aan te koppelen wordt een deel van de schenking alsnog aan de (weliswaar lage) schenkbelasting onderworpen.

Deze letterlijke interpretatie van Vlabel is flagrant in strijd met de ratio legis van deze bepaling. Als Vlabel meent deze contradictie niet te kunnen oplossen aan de hand van een teleologische interpretatie, quod non, dan zou het aangewezen zijn aan de decreetgever te vragen deze anomalie recht te zetten.

Het aanhouden van de voormelde letterlijke interpretatie leidt tot de heffing van schenkbelasting die de decreetgever nooit bedoeld heeft. Dat kan geen goed recht zijn.

Nicolas Geelhand de Merxem