Huber Crommen Geelhand Barbaix

Inbreng van onroerend goed onder de (niet-optionele) ontbindende voorwaarde van het overlijden van de niet-inbrengende echtgenoot, geen fiscaal misbruik

| Nicolas Geelhand de Merxem

Een gehuwde vrouw had in 2014 een aantal eigen onroerende goederen ingebracht in een beperkt gemeenschappelijk vermogen. De inbreng geschiedde onder de ontbindende voorwaarde dat het huwelijksvermogensstelsel om een andere reden zou worden ontbonden dan door het overlijden van de inbrengster (m.a.w. ontbinding van het stelsel door het overlijden van de echtgenoot, door echtscheiding of door wijziging van het huwelijksvermogensstelsel). De ontbinding zou van rechtswege geschieden en werd dus niet optioneel geformuleerd (zoals dit wel het geval was in de voorafgaande beslissing nr. 16057).

De echtgenoten vroegen zich af of het vervullen van de ontbindende voorwaarde (door het overlijden van de echtgenoot) tot gevolg zou hebben dat er erfbelasting zou worden geheven op grond van art. 3.17.0.0.2 VCF in combinatie met art. 2.7.1.0.2 en art. 2.7.1.0.4 VCF.

Vlabel antwoordt wat volgt: “De ontbindende voorwaarde gekoppeld aan de inbreng van de goederen door mevrouw Y zal niet worden beschouwd als fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er andere dan fiscale motieven aan de basis liggen, zijnde de bescherming van de langstlevende. Bovendien heeft de ontbindende voorwaarde van rechtswege uitwerking bij overlijden van de heer X, bij echtscheiding of wijziging van de huwelijkse voorwaarden van de aanvragers”.

Andermaal antwoordt Vlabel naast de kwestie. Zij leidt de afwezigheid van fiscaal misbruik af uit het feit dat er andere dan fiscale motieven zijn. Dat is niet juist. Het fiscaal misbruik mag volgens art. 3.17.0.0.2 VCF enkel afgeleid worden uit het vervuld zijn van 3 toepassingsvoorwaarden: het vermijden van erfbelasting, het zich onttrekken aan de toepassing van een bepaling uit de VCF en dit in strijd met de doelstellingen van deze bepaling. Pas wanneer Vlabel dit bewijs geleverd heeft, is er sprake van misbruik en komen de niet-fiscale motieven aan de orde. Het wordt tijd dat Vlabel zich aan de wet houdt in plaats van aan een onjuiste interpretatie ervan (het vermijden van erfbelasting is steeds een fiscaal misbruik tenzij er pertinente civielrechtelijke motieven zijn).

Een tweede opmerking is dat de bescherming van de langstlevende echtgenoot volgens Vlabel een afdoend niet-fiscaal motief is. Maar dat motief werd door de verzoekers vooral, zo niet uitsluitend, ingeroepen ter rechtvaardiging van de inbreng en niet van de ontbindende voorwaarde (zie nr. 12, 2).

Ten derde maakt Vlabel blijkbaar een onderscheid tussen een optioneel ontbindende voorwaarde van vooroverlijden van de niet-inbrengende echtgenoot (wel fiscaal misbruik) en een niet-optioneel ontbindende voorwaarde van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel anders dan door het overlijden van de inbrengende echtgenoot. Vlabel rechtvaardigt dit onderscheid echter niet. Vlabel heeft het niet voor optionele ontbindende voorwaarden (vgl. het optioneel beding van terugkeer), maar dat is uiteraard geen afdoende rechtvaardiging. M.i. is een optioneel ontbindende voorwaarde van vooroverlijden van de niet-inbrengende echtgenoot geen fiscaal misbruik omdat het ontwijken van de toepassing van art. 2.7.1.0.4 VCF niet geschiedt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling. Noch de tekst van deze bepaling, noch de parlementaire voorbereiding bevat ook maar een aanwijzing dat de wetgever deze bepaling heeft willen toepassen op een dergelijke ontbindende voorwaarde, integendeel.

N. Geelhand de Merxem

Voorafg.besl. nr. 18016 dd. 16.04.2018, “Inbreng – schenking”, publ. 23.04.2018