Huber Crommen Geelhand Barbaix

Inbreng van een (roerend) goed in het gemeenschappelijk vermogen onder de (optionele) ontbindende voorwaarde van het vooroverlijden van de echtgenoot–niet inbrenger is een fiscaal misbruik.

| Nicolas Geelhand de Merxem

Wanneer een onder een gemeenschapsstelsel gehuwde persoon goederen in het gemeenschappelijk vermogen inbrengt, wil deze niet dat bij vooroverlijden van de andere echtgenoot deze ingebrachte goederen deel uitmaken van de te verdelen massa. Het zijn immers “zijn eigen goederen” waarover hij terug vrij moet kunnen blijven beschikken na het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot. Van oudsher wordt bij huwelijkscontract bepaald dat de inbrengende echtgenoot in dat geval de ingebrachte goederen mag terugnemen, zonder aanrekening van de waarde ervan op zijn aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap (afwijking van art. 1455 B.W.). Het enige nadeel van deze techniek is dat de echtgenoot-inbrenger wel erfbelasting moet betalen op grond van art. 5 (oud) W.Succ. (thans art. 2.7.1.0.4 W.Succ.), omdat hij meer bekomt dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen. Om dit nadeel weg te werken werd voorgesteld om een ontbindende voorwaarde van het vooroverlijden van de niet-inbrengende echtgenoot aan de inbreng te koppelen. Bij het vervullen van de ontbindende voorwaarde wordt de inbreng retroactief ontbonden en hebben de ingebrachte goederen nooit deel uitgemaakt van de huwelijksgemeenschap. Art. 5 (oud) W.Succ. (thans art. 2.7.1.0.4 W.Succ.) is dan niet van toepassing bij gebrek aan ongelijke verdeling. Een koppel stelde dienaangaande de vraag aan de Vlaamse “rulingcommissie” of dit een fiscaal misbruik uitmaakt.

VLABEL antwoordt in een “voorafgaande beslissing” dat er in casu een fiscaal misbruik is, “aangezien de aanvrager niet aantoont dat de voorgenomen verrichting ingegeven is door andere dan fiscale motieven” (…) “De toevoeging van een optioneel ontbindende voorwaarde in geval van ontbinding van het huwelijk door vooroverlijden van de andere echtgeno(o)t(e) aan het huwelijkscontract heeft enkel als doel om erfbelasting te ontwijken en gaat in tegen de artikelen 2.7.1.0.2 en 2.7.1.0.4 VCF”.

De boodschap van deze “ruling”, die overigens reeds in een heel aantal eerdere “rulings” impliciet is opgenomen, is de volgende: als men een afdoend civielrechtelijk motief heeft om iets te doen (in casu de ingebrachte goederen laten terugkeren naar het eigen vermogen van de inbrenger), en als men daarvoor twee rechtsgeldige civielrechtelijke technieken ter beschikking heeft (een niet (of minder) belaste en een (meer) belaste), dan is de keuze voor de minst belaste weg een fiscaal misbruik. Dit betekent dat het principe van de keuze van de minst belaste weg in de erf- en registratiebelasting niet meer bestaat. Dit principe wordt vervangen door de verplichting om steeds de meest belaste weg te kiezen.

Volledigheidshalve kan nog worden vermeld dat de “rulingcommissie” daarentegen geen graten zag in de ontbindende voorwaarde van het ontbinden van het huwelijksvermogensstelsel door echtscheiding.

N. Geelhand de Merxem

Voorafgaande beslissing nr. 16057 van 9 januari 2017, “Wijziging huwelijkscontract – fiscaal misbruik”, gepubliceerd op 30 januari 2017.