Huber Crommen Geelhand Barbaix

Het toevoegen van een TIGV aan een stelsel van scheiding van goederen met inbreng van de gezinswoning is fiscaal misbruik

| Nicolas Geelhand de Merxem

Twee van goederen gescheiden echtgenoten wensen een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) aan hun stelsel toe te voegen met inbreng door hen beiden van de gezinswoning met inboedel. Tevens wensen zij aan dat TIGV een verdelingsbeding naar keuze toe te voegen, waardoor de langstlevende deze goederen toebedeeld kan krijgen indien hij of zij dat wenst.

Tevens wensen zij voor hun onverdeelde goederen een toebedeling van onverdeeldheden overeen te komen.

De voorafgaande beslissing (nr. 20009 dd. 11.05.2020, “wijziging huwstelsel – toevoeging TIGV en huwvoordelen”, publ. 18.06.20) luidt, wat de vraag naar het eerste deel van de vraag, als volgt:

15. Echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen kunnen ervoor opteren bepaalde goederen en/of inkomsten onder te brengen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. Vermits het tussen echtgenoten gaat om een “gemeenschappelijk vermogen”, kunnen zij eveneens voorzien hoe dit vermogen, bij de ontbinding van het stelsel, zal worden verdeeld.

16. De bijgevoegde ontwerpakte stelt daarover het volgende: “Dit vermogen is een gemeenschappelijk vermogen in de interne verhouding tussen de echtgenoten, maar geldt ten aanzien van derden als een onverdeeldheid.

17. Voor de heffing van de erfbelasting is de fiscus in dit verband geen derde en is er bijgevolg sprake van een gemeenschappelijk vermogen.

18. Algemeen wordt aanvaard dat de voorgenomen toevoeging van een huwelijksvoordeel welke bij huwelijksovereenkomst zal plaatsvinden, een overeenkomst onder bezwarende titel is. De toebedeling van de goederen aan de langstlevende op grond van het huwelijksvoordeel is geen erfrechtelijke verkrijging, doch wel een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, en valt dus in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting.

19. De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.4 VCF maakt hierop een uitzondering en treft de huwelijksvoordelen die de langstlevende verkrijgt op grond van een huwelijksovereenkomst waarbij aan de langstlevende meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld. Hieruit volgt dat de toebedeling van de gezinswoning overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4 VCF onder het toepassingsgebied van de erfbelasting valt.

20. Aangezien het gaat om de toebedeling van de gezinswoning, is de vrijstelling voor de gezinswoning van artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF in principe van toepassing.

21. Het besluitvormingsorgaan is echter van oordeel dat er in casu sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Uit de voorgelegde feiten blijkt dat partijen een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) toevoegen aan het stelsel der scheiding van goederen waarin zij vervolgens enkel de gezinswoning met inboedel inbrengen. Voor de andere goederen behouden ze een onverdeeldheid. Er kan worden vermoed dat de toevoeging van een TIGV gevolgd door een inbreng van de gezinswoning enkel gebeurt om van de vrijstelling voor de gezinswoning in de erfbelasting te kunnen genieten, en dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling. Het aangevoerde niet-fiscale motief weegt niet afdoende op tegen de fiscale motieven. De Vlaamse Belastingdienst zal bijgevolg geen rekening houden met deze rechtshandeling bij de taxatie. (eigen klemtoon).

Deze voorafgaande beslissing doet de wenkbrauwen fronsen.

Om te kunnen besluiten tot fiscaal misbruik moet Vlabel bewijzen dat de echtgenoten zich hebben onttrokken aan de toepassing van een bepaling van de VCF, in strijd met de doelstellingen van deze bepaling. Aan welke bepaling zouden de echtgenoten zich in dit geval onttrekken?

Aan de heffing op grond van art. 2.7.1.0.1-2 VCF? Neen, want indien de echtgenoten in hun testament hun onverdeelde helft in de gezinswoning aan elkaar zouden legateren dan zou de vrijstelling evenzeer gelden. Dus er wordt geen erfbelasting ontweken.

Aan de heffing op grond van art. 2.7.1.0.4 VCF? Neen, die bepaling is precies van toepassing maar de vrijstelling wordt toegepast.

Aan de heffing van het verdeelrecht? In dezelfde beslissing wordt immers bepaald dat de toebedeling van een onverdeeld onroerend goed vrij van erfbelasting is, omdat art. 2.7.1.0.4 VCF, bij gebrek aan “gemeenschap”, niet van toepassing is. Er is wel 2,5% verdeelrecht van toepassing.

Zodra het “ontweken” artikel gepreciseerd is, moet Vlabel ook nog aantonen dat dat gehandeld wordt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling.

De tekst van art. 3.17.0.0.2 VCF is duidelijk. Vlabel past deze bepaling niet correct toe. Vlabel redeneert met “buikgevoel”. Willen de echtgenoten erfbelasting besparen en hebben zij geen niet-civielrechtelijk motief, dan is er fiscaal misbruik. Zo werkt het echter niet.

Vooreerst leidt een testamentaire legaat tot een zelfde besparing. Verder is het werken met een huwelijksvoordeel civielrechtelijk gemotiveerd wegens “reserveproof”, wat bij een testamentair legaat niet het geval is.

De enige uitleg die ik zie voor deze beslissing zie, is dat Vlabel van oordeel is dat de toebedeling van de gezinswoning aan de langstlevende ook kan gebeuren door de toebedeling van de onverdeeldheid (de gezinswoning); zoals dat voor de andere onverdeeldheden gepland is. M.a.w. de echtgenoten ontwijken het verdeelrecht.

Maar dat kan nooit in strijd met de doelstellingen van art. 2.10.1.0.1 VCF zijn. Er is immers geen verdeelrecht van toepassing bij de toebedeling van een gezinswoning die deel uitmaakt van een TIGV. Vlabel zegt zelf dat in dat geval art. 2.7.1.0.4 VCF speelt en niet de registratiebelasting.

Het recht van de belastingplichtige om de minst belaste weg te kiezen is ver zoek.

Deze voorafgaande beslissing is onwettig.

N. Geelhand de Merxem