Huber Crommen Geelhand Barbaix

Het Hof van Cassatie beslist : de stand van een bankrekening vormt geen teken of indicie in de zin van artikel 341 WIB 1992 (Cass. 29 januari 2021, F.18.0099.N)

| Willy Huber

In toepassing van artikel 341 WIB 1992 kan de fiscale Administratie een ‘indiciaire afrekening’ opstellen waarbij zij de uitgaven en bestedingen van een belastingplichtige (‘tekenen en indiciën’) vergelijkt met diens aangegeven inkomsten over eenzelfde periode. Heeft de belastingplichtige meer middelen uitgegeven en besteed dan hij belastbare inkomsten heeft aangegeven, dan wordt dit verschil wettelijk vermoed een belastbaar inkomen te vormen. De belastingplichtige kan vervolgens het tegenbewijs leveren door de wettige oorsprong van dit tekort aan te tonen.

HCGB Advocaten mocht volgende interessante rechtsvraag voorleggen aan het Hof van Cassatie.

De Administratie had aan de hand van een bankrekeninguittreksel het bewijs geleverd dat een belastingplichtige op het einde van een belastbaar tijdperk beschikte over een belangrijk banktegoed. De Administratie merkte dit banktegoed aan als een teken of indicie in de zin van artikel 341 WIB 1992, verwerkte dit banktegoed in een indiciaire afrekening en belastte de belastingplichtige op een indiciair tekort. In een vonnis van 4 april 2014 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven en in een arrest van 23 maart 2016 van het Hof van Beroep te Brussel werd geoordeeld dat de Administratie terecht dit banktegoed hanteerde als een teken of indicie, mede omdat de belastingplichtige niet het bewijs kon bijbrengen dat hij bij het begin van het belastbaar tijdperk geheel of deels over dit banktegoed beschikte.

HCGB Advocaten kon het Hof van Cassatie overtuigen dat deze zienswijze niet in overeenstemming is met artikel 341 WIB 1992 :

Overeenkomstig artikel 341, eerste lid, WIB 1992, mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, behoudens tegenbewijs, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld, worden aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Enkel de tijdens het belastbaar tijdperk vastgestelde vermogensaangroei, en dus niet de vermogenstoestand op een gegeven moment binnen dat belastbaar tijdperk, kan als een indicie worden aangemerkt.

Wanneer de belastingadministratie een vermogensaangroei als indicie wil aanmerken, dient zij die vermogensaangroei te bewijzen. De belastingplichtige kan het tegenbewijs leveren door aan te tonen dat de vermogensaangroei voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan het belastbaar tijdvak zijn verkregen.

Met dit arrest beslist het Hof van Cassatie voor het eerst in uitdrukkelijke bewoordingen dat een bankrekeningstand binnen het belastbaar tijdperk geen teken of indicie vormt en dat enkel een aangroei van een banktegoed binnen het belastbaar tijdperk een teken of indicie kan vormen. En die aangroei dient door de Administratie te worden bewezen, zodat niet kan worden aangenomen dat een bankrekeningstand binnen het belastbaar tijdperk de facto als een aangroei van een banktegoed kan worden beschouwd, indien de belastingplichtige niet het bewijs levert dat hij reeds eerder, geheel of deels, over het banktegoed beschikte.

Deze uitspraak geldt naar analogie ten aanzien van elk ander vermogen dat aldus niet als teken of indicie kan worden beschouwd. Een vermogenstoestand op zich op enig tijdstip binnen een belastbaar tijdperk geldt niet als teken of indicie. Enkel aangroei van vermogen binnen het belastbaar tijdperk waarvan de Administratie het bewijs heeft geleverd, kan als teken of indicie gelden.

Willy Huber en Kim Jans