Huber Crommen Geelhand Barbaix

Erfbelasting. De sterfhuisclausule: mooi einde

| Nicolas Geelhand de Merxem

Sinds 1 juli 2015 is de onvoorwaardelijke toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen aan een welbepaalde echtgenoot (“sterfhuisclausule”) belastbaar in de Vlaamse erfbelasting (art. 2.7.1.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna “VCF”)). Ondertussen liep echter nog een procedure hierover bij het Hof van Cassatie. In een arrest van 28 april 2016 verwerpt het Hof een voorziening tegen een arrest van het Hof van beroep te Gent van 4 februari 2014, waarin de sterfhuisclausule onbelastbaar werd verklaard. Het hoogste Hof stelt dat uit de tekst van de wetsbepaling (art. 5 (oud) W.Succ.) blijkt dat zij slechts toepassing kan vinden wanneer aan de overlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap wordt toebedeeld krachtens een huwelijksovereenkomst die op voorwaarde van overleven is bedongen. Ook de parlementaire voorbereiding was duidelijk in die zin. De Fiscale Administratie voerde bovendien al enige tijd als argument aan dat voor de toepassing van artikel 5 (oud) W.Suc. het vereist was dat de voorwaarde van overleving in de huwelijksovereenkomst als een contractuele voorwaarde werd opgenomen en dat deze fictiebepaling automatisch toepassing vindt wanneer de langstlevende echtgenoot de feitelijke begunstigde is van de toebedeling van meer dan de helft van de huwgemeenschap bij het overlijden van de mede-echtgenoot. Het Hof stelt dat dit middel op een verkeerde rechtsopvatting steunt en bijgevolg faalt naar recht.

Het Hof van Cassatie bevestigt derhalve dat de fictiebepaling van art. 5 (oud) W.Succ. niet van toepassing is op de sterfhuisclausule. Eerder zij het Hof reeds dat de sterfhuisclausule een huwelijksvoordeel is en derhalve geen contractuele erfstelling en geen schenking is (Cass. 10 december 2010). Derhalve zijn de art. 2, 4,3° en 7 (oud) W.Succ. evenmin van toepassing.

Wat betekent deze rechterlijke uitspraak voor de praktijk? We moeten een onderscheid maken tussen twee hypothesen.

Vooreerst zijn er de overlijdens vóór 1 juli 2015. Voor deze hypothese moet opnieuw een onderscheid worden gemaakt.

Voor de sterfhuisclausules die aan het huwelijksvermogensstelsel werden toegevoegd vóór 1 juni 2012 (datum van de invoering van de nieuwe fiscale anti-misbruikbepaling in de erfbelasting) is er thans duidelijkheid. Ze zijn niet belastbaar in de erfbelasting. De lopende procedures, die op verzoek van de Fiscale Administratie/Vlabel “on hold” gezet waren, kunnen nu afgesloten worden met terugbetaling van de betaalde provisie voor successierechten, vermeerderd met intrest.

Voor de sterfhuisclausules die aan het huwelijksvermogensstelsel werden toegevoegd te rekenen vanaf 1 juni 2012 (datum van de invoering van de nieuwe fiscale anti-misbruikbepaling in de erfbelasting) is er geen duidelijkheid. Het Hof heeft geen uitspraak gedaan over de kwalificatie “fiscaal misbruik” van de sterfhuisclausules. Volgens de Fiscale Administratie/Vlabel zijn ze belastbaar in de erfbelasting op grond van fiscaal misbruik (art. 18 §2 (oud) W.Reg. jo. art. 106, lid 2 (oud) W.Succ.; thans art. 3.17.0.0.2 VCF; zie laatst de Vlaamse Omzendbrief nr. 2015/1 van 16 februari 2015). Dit is echter geenszins het geval, omdat een onvoorwaardelijke toebedeling nooit in strijd kan zijn met de doelstellingen van art. 5 (oud) W.Succ., dat, luidens de parlementaire voorbereiding, uitdrukkelijk enkel de voorwaardelijke toebedelingen viseerde.

Rest dan nog de (veel minder voorkomende) hypothese van de overlijdens te rekenen vanaf 1 juli 2015. Volgens Vlabel zijn deze clausules belastbaar op grond van art. 2.7.1.0.4 (nieuw) VCF, zelfs wanneer de sterfhuisclausule vóór die datum aan het huwelijksvermogensstelsel werd toegevoegd. Ook dit is onjuist, omdat het strenger maken van fictiebepalingen niet mag toegepast worden op rechtshandelingen die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe decreet zijn gesteld. Zo niet is er retroactieve toepassing, wat zonder uitdrukkelijke wettekst in die zin niet kan.

N. Geelhand de Merxem

(Cass. 28 april 2016)