Huber Crommen Geelhand Barbaix

Erfbelasting. De Nederlandse ouderlijke boedelverdeling op Vlaamse wijze.

| Nicolas Geelhand de Merxem

Heel wat Nederlanders wonen in (het noorden van) België. Veel van de gehuwden onder hen hebben een Nederlands ouderlijke boedelverdeling testament (OBV). Dit is een testament dat zowel een devolutie naar Nederlands recht (de kinderen en de langstlevende echtgenoot krijgen elk een gelijk deel), als een verdeling bevat (conform art. 1167 (oud) Ned.B.W. ). Deze verdeling houdt, kort gezegd, in dat alle goederen van de nalatenschap worden toebedeeld aan de langstlevende echtgenoot (en alle schulden ten hare/zijne lasten worden gelegd), onder last om een schuld te erkennen aan de kinderen (er wordt enkel rekening gehouden met de hypothese van gemeenschappelijke kinderen). Het bedrag van die schuld is gelijk aan het netto-erfdeel van de kinderen (actief min passief). Deze “overbedelingsschuld” is in de regel pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot. Meestal dient de langstlevende niet alleen het verschuldigde bedrag te betalen, maar ook een intrest. De bedoeling van dit type testament is het comfort van de langstlevende te verzekeren. De langstlevende kan vrij beschikken over alle goederen van de nalatenschap (en dus van alle goederen van de algehele gemeenschap van goederen waaronder de Nederlandse echtgenoten vaak gehuwd zijn). In Nederland is dit type testament “reserveproof”, zodat de kinderen zich niet kunnen verzetten tegen de uitvoering ervan. Dit testament was dermate in de Nederlandse notariële praktijk ingeburgerd, dat zij enkele jaren geleden werd gepromoveerd tot wettelijke regel in het Nederlandse erfrecht (de zogenaamde “wettelijke verdeling”).

Thans is dit testament opnieuw fel begeerd omdat het, met de toepassing van de Europese erfrechtverordening, toelaat om de erfrechtelijke reserve van de kinderen te ontwijken.

Ingeval van overlijden van deze Nederbelgen als Belgische rijksinwoners, rees de vraag naar de wijze waarop de successierechten dienden te worden geheven, zowel bij het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot als bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot.

In 1997 werd daarover een federale administratieve beslissing gepubliceerd in het Repertorium R.J. (Adm.besl. 6 maart 1997, herzien op 18 januari 2002, Rep. R.J., S 64/06-01). De regeling kwam er op neer dat bij het eerste overlijden de reële waarde van de schuldvordering aftrekbaar was van het erfdeel van de langstlevende. De reële waarde was het bedrag van de schuldvordering verminderd met het genot van de langstlevende en vermeerderd met de gekapitaliseerde intrest. Bij het tweede overlijden werd deze overbedelingsschuld, vermeerderd met intresten, in het passief aanvaard.

Op 7 juli ll. publiceerde Vlabel evenwel een nieuw standpunt op zijn website onder de titel “Ouderlijke boedelverdeling en verblijvingsbedingen en keuzebedingen met last”. In dit standpunt bespreekt Vlabel de belastbaarheid van de Nederlandse ouderlijke boedelverdeling testamenten opnieuw, en de nieuwe regeling verschilt op meerdere punten van de oude regeling.

Bij het eerste overlijden wordt voortaan enkel rekening gehouden met het nominaal bedrag van de overbedelingsschuld. Met het levenslang genot van de langstlevende echtgenoot en met de gekapitaliseerde rente wordt daarentegen geen rekening gehouden.

De last moet prioritair aangerekend worden op de roerende goederen.

Een cijfervoorbeeld: stel de netto nalatenschap is 100 en er zijn drie kinderen. De langstlevende wordt belast op 100, en moet bij haar/zijn overlijden 25 betalen aan elk kind. Op grond van de VCF wordt de langstlevende belast op de waarde van de nalatenschap verminderd met de waarde van de drie schuldvorderingen: 100 – 75 = 25. De kinderen worden belast op 3 x 25. Deze last om 75 te betalen wordt eerst aangerekend op de roerende goederen en dan pas op de onroerende goederen van de nalatenschap.

Bij het tweede overlijden (overlijden van de langstlevende echtgenoot) is de overbedelingsschuld volgens Vlabel niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap. De belastbare grondslag van de kinderen bij het eerste overlijden, mag wel in mindering gebracht worden van de belastbare grondslag bij het tweede overlijden.

Een cijfervoorbeeld maakt het duidelijk: de nalatenschap van de eerstoverleden ouder bedroeg 100 activa. De drie kinderen en de langstlevende bekwamen elk een kindsdeel (25), maar de langstlevende verkreeg alle goederen (100) onder last om een schuld van 75 te erkennen, vermeerderd met intrest. Bij het overlijden van de langstlevende bevat diens nalatenschap 100 activa (afkomstig van de eerst overleden echtgenoot, zijnde meestal de helft van de algehele gemeenschap ) en 90 activa (eigen goederen van de langstlevende, zijnde (wat overblijft van) de andere helft van de algehele gemeenschap). De kinderen worden belast op het aandeel dat ze “als erfopvolger” van de langstlevende verkrijgen: dit is 25 + 90. De rest (75) wordt daarentegen beschouwd als een uitvoering van het legaat dat ze bij het eerste overlijden hebben verkregen. Dat bedrag, dat belast werd bij het eerste overlijden (75), mag in mindering gebracht worden van het aandeel in de goederen dat ze thans verkrijgen (samen 190). Ook in dit geval moet de reeds belaste grondslag (75) eerst aangerekend worden op de roerende goederen van de nalatenschap van de langstlevende.

Dit standpunt is bekritiseerbaar omdat het passiva uit de nalatenschap weert en een vrijstelling invoert, telkens zonder wettelijke basis.

Voor de praktijk is vooral van belang dat de nieuwe regeling veel minder gunstig dan in het oude systeem. Laten we de twee systemen vergelijken aan de hand van nog steeds het zelfde voorbeeld:

  1. Oud systeem: de langstlevende met drie gemeenschappelijke kinderen bekomt op vierenvijftigjarige leeftijd 100 en moet 75 schuldig erkennen te vermeerderen met intrest ad 4% per jaar. Zij leeft nog 40 jaar. Op de dag van haar overlijden is het actief 190 en is de overbedelingsschuld aangegroeid tot 75 + 120 = 195. Er is geen erfbelasting verschuldigd.

  2. Nieuw systeem: de langstlevende met drie gemeenschappelijke kinderen bekomt op vierenvijftigjarige leeftijd 100 en moet 75 schuldig erkennen te vermeerderen met intrest ad 4% per jaar. Zij leeft nog 40 jaar. Op de dag van haar overlijden is het actief 190 en is het deel dat de kinderen in mindering mogen brengen 75. Er is erfbelasting verschuldigd op 115

Toepassing in de tijd. Het standpunt zegt niet waarop de nieuwe regeling van toepassing is : op de nalatenschappen opengevallen na 7 juli 2016 (retroactieve toepassing) of op de ouderlijke boedelverdeling testamenten opgemaakt 7 juli 2016 (niet-retroactieve toepassing). We zullen het snel weten.

Indien het nieuwe standpunt op bestaande testamenten wordt toegepast, zullen de erfgenamen de berekening volgens het oude en volgens het nieuwe systeem met elkaar vergelijken. Indien het eerste gunstiger is dan het tweede, doen ze er goed aan om tijdig bezwaar aan te tekenen.

Degenen die van plan waren om te plannen met een Nederlands ouderlijke boedelverdeling testament, moeten er rekening mee houden dat dit type testament veel minder interessant is dan vroeger.

De langstlevende echtgenoot kan er goed aan doen de overbedelingsschuld tijdens haar/zijn leven af te lossen om niet alleen het nominale bedrag maar ook de intrest in mindering te kunnen brengen van de toekomstige nalatenschap.

Wanneer de Nederbelg geen Belgisch rijksinwoner (meer) is (maar bij zijn/haar overlijden nog onroerend goed in België bezit) geldt een bijzondere regeling.

N. Geelhand de Merxem

(Standpunt nr. 16053 dd. 13.06.2016 “Ouderlijke boedelverdeling en verblijvingsbedingen met last”, gepubliceerd op 7 juli 2016).