Huber Crommen Geelhand Barbaix

De verrekenschuld bij een optioneel finaal verrekenbeding is een (voorwaardelijk) passief van de nalatenschap volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 24 maart 2017.

| Nicolas Geelhand de Merxem

Een finaal verrekenbeding is een beding opgenomen in een (akte houdende wijziging van het) huwelijkscontract van (meestal) scheiding van goederen, op grond waarvan de echtgenoten zich ertoe verbinden ten titel van huwelijksvoordeel een schuld te erkennen aan de andere echtgenoot, indien deze andere echtgenoot langst leeft. Bij een finaal verrekenbeding 0/100 is de verrekenschuld van de eerstoverledene gelijk aan de netto-waarde van zijn vermogen/nalatenschap. Het verrekenbeding is optioneel wanneer de langstlevende echtgenoot de keuze heeft al dan niet een beroep te doen op het beding en zo ja in welke mate.

De federale en de Vlaamse fiscale administratie hebben het niet voor dit beding, omdat de langstlevende echtgenoot op dit huwelijksvoordeel niet belast kan worden in de successierechten/erfbelasting. De art. 1, 2, 4,3°, 5, 7 (oud) W.Succ. zijn niet van toepassing. De daarmee overeenkomende bepalingen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit evenmin. Aldus een eensgezinde rechtspraak en rechtsleer. Ook de echtheid van de schuld (art. 33 (oud) W.Succ.) wordt door de rechtspraak bewezen geacht.

De fiscale administratie heeft de optionele finale verrekenbedingen dan trachten te bekampen door te stellen dat de verrekenschuld pas ontstaat bij het lichten van de optie door de langstlevende echtgenoot en derhalve na het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot. In een van de rechtszaken die daaruit zijn voortgesproten, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen het bestaan en de echtheid, en derhalve de aftrek, van de verrekenschuld aanvaard. Het Antwerpse Hof van beroep leek te oordelen dat de schuld pas was ontstaan bij het lichten van de optie, maar stond de aftrek toch toe. Het Hof van Cassatie achtte dit contradictorisch en verbrak het arrest. Het Hof van beroep te Gent stelde dat een optioneel finaal verrekenbeding een verbintenis onder een dubbele opschortende voorwaarde (vooroverlijden van een echtgenoot en lichten van de optie) is die vóór het overlijden ontstaat. Op een dergelijke schuld is art. 135, 4° (oud) W.Succ. van toepassing. Dat komt er concreet op neer dat wanneer de voorwaarde vervuld wordt, de schuld toch in het passief van de nalatenschap wordt opgenomen en de teveel betaalde successierechten terugbetaald worden.

Tegen dit arrest heeft Vlabel een cassatieverzoek ingediend. Het arrest dd. 24 maart 2017 verwerpt het cassatieberoep.

Procureur-Generaal THIJS had reeds geconcludeerd tot verwerping van het cassatieverzoek. De Procureur-Generaal bevestigde het voormelde standpunt van het arrest a quo, dat ook door de rechtsleer wordt verdedigd. Hij had reeds dezelfde stelling geponeerd in zijn conclusie bij het cassatiearrest van 31 oktober 2014.

Het Hof van Cassatie volgt dus het openbaar ministerie en stelt dat “1. Een verbintenis is aangegaan onder een opschortende voorwaarde wanneer haar uitvoering afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis of van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is. Een toekomstige gebeurtenis kan als een opschortende voorwaarde worden bedongen, ook al is het intreden ervan afhankelijk van de wil van de schuldeiser. 2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een opschortende voorwaarde niet afhankelijk kan zijn van de wil van de schuldeiser, berust op een onjuiste rechtsopvatting”.

Kortom, bij een optioneel finaal verrekenbeding 0/100 is de verrekenschuld aftrekbaar van het actief van de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot, zodra de voorwaarden vervuld zijn: 1) het vooroverlijden van de eerstoverleden echtgenoot en 2) het lichten van de optie door de langstlevende echtgenoot. Gebeurt dit laatste niet vóór het indienen van de aangifte van nalatenschap dan moet er een bijvoeglijke aangifte worden ingediend en eventueel teruggave van de teveel betaalde erfbelasting worden gevraagd.

Wat betekent dit voor de talrijke procedures die hangende zijn voor de hoven en rechtbanken en die “on hold” werden gezet op verzoek van Vlabel?

In principe zou Vlabel thans moeten erkennen dat de verrekenschuld aftrekbaar is. De langstlevende echtgenoot en de andere erfgenamen kunnen derhalve terugbetaling vorderen van de onder voorbehoud betaalde successierechten, vermeerderd met de intresten te rekenen vanaf het inleiden van de zaak en met de rechtsplegingsvergoeding. Dit gebeurde reeds eerder voor de procedures inzake de sterfhuisclausule en inzake het omgekeerd duo-legaat met bepaalbaar bedrag.

Wat betekent dit voor de successieplanning? Is het optioneel finaal verrekenbeding 0/100 thans de techniek inzake horizontale successieplanning bij uitstek?

Het antwoord is genuanceerd.

Vlabel gooit het thans over een andere boeg, zoals zij dat met de “sterfhuisclausule” heeft gedaan. Zij beschouwt het finaal verrekenbeding (voor zover het te rekenen vanaf 1 juni 2012 in het huwelijkscontract is ingelast) als een fiscaal misbruik. Vermoedelijk zal zij op die grond nog steeds erfbelasting heffen alsof er geen verrekenschuld zou zijn. Procedures in de toekomst zijn derhalve niet uitgesloten.

Een finaal optioneel verrekenbeding 0/100 is echter geen fiscaal misbruik. De reden is niet zozeer dat er voldoende niet-fiscale motieven aanwezig zijn (met name de maximale verzorging van de langstlevende echtgenoot). De belangrijkste reden is dat er volgens art. 3.17.0.0.2 VCF enkel sprake is van fiscaal misbruik wanneer Vlabel aantoont dat de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling een verrichting tot stand brengt, waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst. De ontweken bepaling is ongetwijfeld art. 5 (oud) W.Succ. (thans art. 2.7.1.0.4 VCF), de enige bepaling die huwelijksvoordelen viseert. Maar wat Vlabel niet bewijst, en ook niet kan bewijzen, is dat het ontwijken ervan niet in strijd is met de doelstellingen van deze bepaling. De wetgever heeft immers nooit de bedoeling gehad met art. 5 W.Succ. de finale verrekenbedingen te belasten. Het beste bewijs daarvan is dat art. 5 W.Succ. tot stand kwam door de wet van 17 december 1851 en dat er toen geen sprake was van finale verrekenbedingen als huwelijksvoordeel.

Kortom, het optioneel finaal verrekenbeding 0/100 blijft een aantrekkelijke techniek van successieplanning, als men bereid is een procedure te voeren.

Daarbij passen evenwel twee opmerkingen.

Vooreerst is het optioneel finaal verrekenbeding 0/100 vooral civielrechtelijk van belang. Het laat echtgenoten toe te huwen onder een scheidingsstelsel en toch bij het overlijden van één van hen alle aanwinsten over te hevelen naar de langstlevende echtgenoot, zonder dat de gemeenschappelijke kinderen daartegen kritiek kunnen uiten. Wanneer de kinderen minderjarig zijn, is dat ook een uitstekend middel om de Vrederechter buiten het beheer van het aanwinstenvermogen te houden.

De tweede opmerking is dat het optioneel finaal verrekenbeding (samen met een bepaalde variant van het levensverzekeringscontract) de enige oplossing is om het vermogen niet alleen “reserveproof”, maar ook zonder al te veel kosten, door te schuiven naar de langstlevende echtgenoot. Wat dat betreft heeft het stelsel van scheiding van goederen met finaal verrekenbeding vele lengtes voorsprong op de gemeenschapsstelsels met verdelingsbedingen, althans zodra dit gemeenschappelijk vermogen meer bevat dan een gezinswoning en wat spaargelden.

N. Geelhand de Merxem

(Cass. 24 maart 2017 (F. 16.0042))