Huber Crommen Geelhand Barbaix

De sterfhuisclausule is ook geen schenking

| Katrin Somers

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 28 april 2016 een einde gemaakt aan de onzekerheid over de al dan niet toepassing van art. 5 (oud) W.Succ. in geval van toebedeling van het ganse gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot op grond van een sterfhuisclausule. Volgens het Hof is deze bepaling in dat geval niet van toepassing.

In een arrest van 5 januari 2017 bevestigt het Hof de niet toepassing van art. 5 (oud) W.Succ. op de toebedeling van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen bij huwelijkscontract, wanneer er geen overlevingsvoorwaarde is bepaald.

Maar in hetzelfde arrest diende het Hof zich bovendien ook uit te spreken over de vraag of art. 7 (oud) W.Succ. al dan niet van toepassing is op een sterfhuisclausule wanneer art. 1464, lid 2 B.W. van toepassing is. Dit is niet onbelangrijk omdat het Hof van beroep te Luik tot tweemaal toe de sterfhuisclausule als een schenking had bestempeld.

Het Hof van Cassatie verwijst naar art. 7 (oud) W.Succ., alsmede naar de art. 1451, 1461 en 1464, lid 1 en lid 2 B.W. en besluit: “il suit de l’ensemble de ces dispositions que les clauses d’attribution de la totalité du patrimoine commun à un des époux lors de la dissolution du mariage en dehors de toute condition de survie sont des conventions de mariage et ne rentrent dès lors pas dans le champ d’application de l‘article 7 du Code des droits de succession”.

De toebedeling op grond van een sterfhuisclausule is dus steeds een huwelijksovereenkomst (juister nog, een huwelijksvoordeel) en nooit een schenking. Dit is volgens het Hof ook het geval wanneer er toepassing zou worden gemaakt van art. 1464,lid 2 B.W. Het Hof stelt immers over deze bepaling wat volgt: “cette dérogation, qui vise à protéger les droits des héritiers réservataires, a pour seul effet que l’attribution des biens apportés par le conjoint prédécédé dans le patrimoine commun doit être considérée, pour la part dépassant la moitié attribuée au conjoint survivant, comme une donation pour la détermination des droits de ces héritiers réservatairrs”. M.a.w. een huwelijksvoordeel is nooit een schenking maar kan wel, onder omstandigheden, worden onderworpen aan de regels inzake de schenkingen, meer bepaald de regels inzake de fictieve massa, de aanrekening op het beschikbaar deel en de inkorting. M.a.w., dit gedeelte van het huwelijksvoordeel, in het vakjargon “surplus” genoemd, is geen schenking maar een aanrekenbaar (en eventueel inkortbaar) of onvolkomen huwelijksvoordeel.

Daarmee sluit het Hof van Cassatie zich aan bij de meerderheid in de rechtsleer die deze stelling reeds enige tijd verdedigde (zie o.a. N. GEELHAND de MERXEM, “Het sterfhuisbeding. Fiscale aspecten”, in R. BARBAIX, N. GEELHAND de MERXEM en A. VERBEKE (eds.), Huwelijksvoordelen, Brussel, Larcier, 2010, nr. 70 e.v., p. 143 e.v. en de verwijzingen aldaar).

Praktisch gezien bestaat de fictieve massa derhalve niet uit twee, maar uit drie actieve bestanddelen: de bestaande goederen, de schenkingen en de aanrekenbare of onvolkomen huwelijksvoordelen.

K. Somers

(Cass. 5 januari 2017, nr. F.15.0164.F)