Huber Crommen Geelhand Barbaix

De reparatie van de nieuwe erfwet en de erf- en schenkbelasting

| Nicolas Geelhand de Merxem

De nieuwe erfwet bevat een aantal bepalingen die een weerslag hebben op de erf- en schenkbelasting.

Zo bepaalt art. 918, §4 (nieuw) B.W. dat de verzaking aan het recht om de inkorting van een schenking te vorderen, geen gift is, met alle gevolgen vandien inzake schenk- en erfbelasting. Niet duidelijk was of dit een algemene regel is voor alle verzakingen aan rechten in een toekomstige nalatenschap, dan wel een specifieke regel voor de hypothese waarin art. 918 (nieuw) B.W. voorziet. De reparatiewet brengt duidelijkheid. De vierde paragraaf van art. 918 (nieuw) B.W. wordt geschrapt en er wordt een paragraaf 4 aan art. 1100/4 (nieuw) B.W. toegevoegd. Daarin wordt bepaald dat elke verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap die voortvloeit uit een door de wet toegelaten erfovereenkomst, ongeacht de nadere voorwaarden, wordt geacht geen gift te zijn. Dit vermoeden is onweerlegbaar.

De reparatiewet wijzigt ook art. 1100/1, §4 (nieuw) B.W. “Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel zijn altijd toegelaten, als ze onder bijzondere titel zijn gesloten of gemaakt, zelfs als ze de toekomstige nalatenschap van een partij betreffen, en zelfs als die partij zich het recht voorbehoudt om tijdens zijn leven over het voorwerp van die overeenkomst of dat beding te beschikken”. Dit is belangrijk voor de overeenkomsten van aanwas. Volgens Vlabel is de bevoegdheid om eenzijdig over het voorwerp van de overeenkomst te beschikken, een hinderpaal voor de “fiscale aanvaarding” ervan. Dit blijkt niet uit het laatste standpunt dienaangaande, maar wel uit de voorafgaande beslissingen die dateren van voor het laatste standpunt. Vraag is wat Vlabel nu gaat doen.

Art. 1100/3 (nieuw) B.W. bepaalt dat erfovereenkomsten die niet door de wet zijn toegelaten, die zijn opgesteld met miskenning van art. 1100/5 (nieuw) B.W. (vormvereisten) of met miskenning van art. 1100/7 (nieuw) B.W. (de globale erfovereenkomsten), absoluut nietig zijn. Dit betekent concreet dat ook de fiscale administratie na het overlijden van de erflater de nietigheid van de erfovereenkomst kan vorderen, indien zij er belang bij heeft. De reparatiewet bepaalt nu dat deze absolute nietigheid op de dag van het overlijden van de erflater omgezet wordt in een relatieve nietigheid, althans wanneer het gaat om een overeenkomst inzake de eigen toekomstige nalatenschap van een partij. Dit betekent concreet dat de nietigheid van een globale erfovereenkomst na het overlijden van de pater familias relatief wordt. Op deze regel is er één uitzondering, met name de sanctie van het gebrek aan notariële akte. Die blijft een absolute nietigheid.

De federale wetgever heeft dus duidelijkheid gebracht en gerepareerd in gunstige zin en dit voor de inwerkingtreding van de nieuwe erfwet.

N. Geelhand de Merxem

(Amendementen op het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 2848/004)