Huber Crommen Geelhand Barbaix

Asymmetrische “uitbreng” van het gemeenschappelijk vermogen naar het eigen vermogen van de niet terminaal zieke echtgenoot, kort vóór het overlijden van de terminaal zieke echtgenoot, is ook een fiscaal misbruik volgens Vlabel

| Nicolas Geelhand de Merxem

De feiten en de beslissing van Vlabel

Twee onder gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten wijzigen op 9 juli 2014 hun huwelijkscontract. Meer bepaald werd een aantal roerende goederen uit het gemeenschappelijk vermogen naar het eigen vermogen van de vrouw gebracht. De man overlijdt kort daarop op 13 januari 2015.

Op deze akte wijziging huwelijkscontract met uitbreng van roerende goederen wordt door de ontvanger der registratie geen schenkbelasting geheven. Dit is merkwaardig omdat de federale fiscale administratie, die in de loop van 2014 nog aan zet was, beslist had dat een dergelijke uitbreng een roerende schenking uitmaakt waarop 3% schenkingsrechten verschuldigd is (adm. besl. 21 februari 2011, nr. E.E./103.994, Rep. R.J., S7/16-01; daarover N. GEELHAND de MERXEM, “Een “uitbreng” is geen schenking maar een huwelijksvoordeel. Weer een administratieve beslissing in strijd met de principes van het familiaal vermogensrecht”, in Liber Amicorum Hélène Casman, Antwerpen, Intersentia, 2013, 237 e.v.).

De echtgenoten vergeten evenwel de bancaire situatie aan te passen aan deze uitbreng en de tegoeden worden niet op naam van de echtgenote gezet.

In de toelichting in bijlage bij het aanslagbiljet staat “indien de uitbreng van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen is, dient deze belast te worden in hoofde van art. 2.7.1.0.4 VCF. Er werd voor de berekening dan ook geen rekening gehouden met de uitbreng van 492.228,80 € aan het eigen vermogen van mevrouw (..) ingevolge de wijziging huwelijkscontract not. (…) dd. 9/7/2014”.

Uit de berekening blijkt dat Vlabel vervolgens de uitgebrachte roerende goederen ter waarde van 492.000 euro gewoon bij de bestaande gemeenschappelijke roerende goederen heeft gevoegd.

Het bezwaar

Tegen deze beslissing tekenden de erfgenamen bezwaar aan, met de volgende motivering:

Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan niet van toepassing zijn aangezien het in casu niet gaat om een verdeling/toewijzing van het gemeenschappelijk vermogen bij het overlijden van een echtgenoot, zijnde in casu 13/01/2015, maar om een uitbreng van gemeenschappelijke goederen naar het eigen vermogen van mevrouw (…) die gebeurde voor het overlijden, bij akte d.d. 09/07/2014. De bedoeling van de wetgever heeft er immers nooit in bestaan artikel 2.7.1.0.4 VCF (oud artikel 5 W.Succ.) toe te passen op verdelingen onder levenden. Bovendien is er voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF vereist dat de langstlevende echtgenoot de huwelijksvoordelen verkrijgt op voorwaarde van overleving (J. Decuyper & J. Ruysseveldt, “Successierechten 2015”, p. 107). Bijgevolg werd door de ongerechtvaardigde toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF bij de berekening van de erfbelasting manifest te veel aangerekend lastens de langstlevende echtgenote en dient de verschuldigde erfbelasting ten haren laste herleid te worden tot € 2.714,06. Elke betaling van het aanslagbiljet gebeurt onder voorbehoud van indiening van onderhavig bezwaarschrift en van alle rechten en middelen. Ondergetekende behoudt zich het recht voor om teruggave te eisen van eventueel te veel betaalde erfbelasting, te vermeerderen met interest.

De overlevingsvoorwaarde van artikel 2.7.1.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit (oud artikel 5 Wetboek Successierechten) was op het ogenblik van de uitbreng van de roerende goederen d.d. 9 juli 2014 nog niet afgeschaft. Deze werd immers pas afgeschaft op 1 juli 2015. Op het moment van de uitbreng was er bijgevolg vereist dat de langstlevende echtgenoot de huwelijksvoordelen verkreeg op voorwaarde van overleving. De uitbreng van de roerende goederen in voormelde akte werd niet bedongen op voorwaarde van overleving waardoor artikel 2.7.1.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit (oud artikel 5 Wetboek Successierechten) niet van toepassing kan zijn”.

Het antwoord van Vlabel op het bezwaar

Vlabel parafraseert eerst art. 3.17.0.0.2 VCF die de fiscale antimisbruikbepaling van de Vlaamse Codex Fiscaliteit inhoudt, en vervolgt:

“De in uw vraagstelling beschreven rechtshandelingen omvatten een uitbreng van roerende goederen uit het gemeenschappelijk vermogen. De uitbreiding gebeurde met het oog op het overlijden. Meer nog de akte wijziging van huwelijkscontract werd verleden op 9 juli 2014, de heer (…) is overleden op 13 januari 2015 met als gevolg dat de uitbreng van de roerende goederen op het moment van overlijden nog niet bancair werd uitgevoerd. De roerende goederen stonden nog niet effectief op naam van de langstlevende echtgenoten!

De partijen “ledigen” op deze wijze de gemeenschap en vermijden de overgang van gemeenschapsgoederen bij het overlijden. Er wordt ingegaan tegen artikel 2.7.1.0.4 VCF. Dit artikel voorziet dat een toebedeling bij huwelijksovereenkomst van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot op voorwaarde van overleven die niet aan het schenkingsrecht onderworpen is, belast wordt.

De overgang uit het gemeenschappelijk vermogen heeft plaats in het vooruitzicht van het overlijden. De belastingplichtige brengt zichzelf in een toestand waar zijn nagestreefd fiscaal voordeel het ontwijken van artikel 2.7.1.0.4 CVF is, terwijl hij de facto zijn echtgenoot die zal overleven bevoordeelt op korte termijn.

De belastingplichtigen moeten dan het bewijs leveren dat de uitbreng een overgang is van het gemeenschapsvermogen naar het eigen vermogen die verantwoord wordt door andere motieven dan fiscale. Inzake de registratiebelasting wordt het gemeenschapsvermogen behandeld als een onverdeeldheid. De Vlaamse Belastingdienst is van oordeel dat de uitbreng niets wijzigt aan de persoonlijke rechten die iedere echtgenoot in de voormelde gemeenschap heeft.

Bij overlijden van de eerststervende echtgenoot wordt de erfbelasting geheven net alsof de uitbreng en de schenkingen niet hebben plaatsgevonden en de langstlevende de goederen als huwelijksvoordeel zoals bepaald in het huwelijkscontract in de zin van artikel 2.7.1.0.4 VCF heeft verkregen”.

Beoordeling

Vlabel verwijt de erfgenamen art. 2.7.1.0.4 VCF te hebben ”gefrustreerd” en past de sanctie van het fiscaal misbruik toe. Er wordt belast alsof er geen uitbreng is geweest en de langstlevende de gemeenschappelijke roerende goederen bij huwelijksvoordeel heeft verkregen.

Als Vlabel dat wil doen moet zij aantonen dat er sprake is van fiscaal misbruik. Dit is het geval wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen o.a. een verrichting tot stand brengt “waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst”.

Vlabel stelt dat de erfgenamen zich buiten het toepassingsgebied van art. 2.7.1.0.4.VCF plaatsen door de uitbreng vóór het overlijden te doen. Dat is inderdaad het geval. Maar Vlabel toont niet aan dat dit geschiedt “in strijd met de doelstellingen” van art. 2.7.1.0.4 VCF. Zoals de erfgenamen terecht stellen, is het nooit de bedoeling van de wetgever geweest, toen hij deze bepaling in het leven riep, om de uitbrengen tijdens het leven van de echtgenoten te viseren (dat kon ook niet omdat in 1851 de wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel niet toegelaten waren). Even terecht stippen de erfgenamen aan dat het ook niet de bedoeling van de wetgever was om onvoorwaardelijke toebedelingen van meer dan de helft van de gemeenschap te belasten (de erflater is overleden op 13 januari 2015, dus vóór de inwerkingtreding van de schrapping van de overlevingsvoorwaarde in art. 2.7.1.0.4 VCF). Vlabel schiet dus tekort in haar bewijsplicht.

Vlabel legt de nadruk op andere feiten die echter volledig irrelevant zijn in het raam van de toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF:

  • “De uitbreng gebeurde met het oog op het overlijden”, “in het vooruitzicht van het overlijden”, ja zelfs “in extremis”; dat is volledig irrelevant; een verrichting in extremis is op zich nooit een fiscaal misbruik, behalve als aan de voorwaarden van art. 3.17.0.0.2 VCF is voldaan;

  • De partijen “ledigen” op deze wijze de gemeenschap en vermijden de overgang van gemeenschapsgoederen bij overlijden”; het is helemaal geen fiscaal misbruik om het gemeenschappelijk vermogen te “ledigen”, voor zover dat niet gebeurt in strijd met de doelstellingen van een decretale bepaling; zo niet zou elke schenking van gemeenschappelijke goederen aan de kinderen een fiscaal misbruik zijn.

Nogmaals: Vlabel schiet tekort in haar bewijsplicht. En daarmee is de kous af.

Anders dan Vlabel beweert, moeten de belastingplichtigen helemaal niet het bewijs leveren dat de uitbreng “een overgang is van het gemeenschapsvermogen naar het eigen vermogen die verantwoord wordt door andere motieven dan fiscale”. Zolang Vlabel niet aantoont dat gehandeld werd in strijd met de doelstellingen van art. 2.7.1.0.4 VCF, moeten de erfgenamen helemaal niets bewijzen.

Ten onrechte heeft Vlabel derhalve erfbelasting geheven op de helft van de uitgebrachte goederen op grond van het fiscaal misbruik.

N. Geelhand de Merxem

(Niet gepubliceerde beslissing dd. 26/01/2017 in het dossier 020083430270)