Huber Crommen Geelhand Barbaix

Art. 17 Vl.W.Succ. (thans art.2.7.5.0.4 VCF) is strijdig met de art. 10, 11 en 172 van de Grondwet

| Nicolas Geelhand de Merxem

In een arrest van 3 juni 2021 (nr. 7376) oordeelt het Grondwettelijk Hof dat artikel 17 Vl.W.Succ. (thans art.2.7.5.0.4 VCF) strijdig is met de art. 10, 11 en 172 van de Grondwet. Meer bepaald zegt het Hof dat “het verschil in behandeling dat voortvloeit uit artikel 17 van het Wetboek der successierechten, al naargelang de erfbelasting betrekking heeft op onroerende dan wel roerende goederen, (niet) berust op een pertinent criterium van onderscheid”.

Dit arrest is zeker juist. Uit de parlementaire voorbereiding van art.17 W.Succ., letterlijk geciteerd door het Hof, blijkt zeer duidelijk dat men de vermindering niet heeft toegepast met betrekking tot roerende goederen omdat 1/ de wetgever niet kon “onderzoeken of, en in welke mate, in het buitenland successierechten geheven worden op roerende waarden die behooren tot de nalatenschap van een inwoner van ons land”, en 2/ “over het algemeen wordt aangenomen dat de nalatenschap in burgerlijk recht, wordt beheerscht, zoo voor de lichamelijke als de niet-lichamelijke goederen, door de wet van de woonplaats van den eigenaar”.

Welnu, a contrario was de wetgever van oordeel dat de vermindering ook op roerende goederen diende te worden toegepast indien bleek dat er ook wat die goederen betreft een dubbele belasting zou ontstaan, wat thans zeker het geval is. De tweede reden is volledig irrelevant, omdat het niets te maken heeft met het al dan niet heffen van een successierecht op situs-goederen. Civiel recht en successierechten hebben ieder hun eigen logica.

Het arrest was dus voorspelbaar en dient zeker te worden goedgekeurd. Erfbelasting is op zich reeds betreurenswaardig, een dubbele belasting is totaal onverdedigbaar.

Maar er is nog iets anders beslist in het arrest.

De Vlaamse Regering had immers gevraagd, in ondergeschikte orde, dat, “in geval van een vaststelling van ongrondwettigheid, de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling zouden worden gehandhaafd voor het verleden, teneinde de rechtszekerheid te waarborgen”.

Het Hof antwoordt ontkennend op die vraag omdat de Vlaamse Regering niet aantoont “dat een niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid de rechtszekerheid in die mate in het gedrang zou kunnen brengen, dat bij de beantwoording van de prejudiciële vraag tot een handhaving van de gevolgen van die bepaling moet worden besloten”.

Ook deze beslissing moet worden toegejuicht. Deze rechtszekerheid kan immers niet in het gedrang komen omdat de belastingplichtige er alleen maar voordeel kan bij hebben. De erflaters uit het verleden wisten dat een deel van hun vermogen aan een dubbele belasting zou onderworpen worden. Nu blijkt dat plots (en retroactief) niet het geval te zijn. Des te beter. Hun rechtmatig vertrouwen, hun rechtmatige verwachtingen zijn niet beschaamd. Er wordt hen gen recht ontnomen, maar een recht toegekend, met terugwerkende kracht. De enige die er slechter van kan worden is de Staat of het Gewest die/dat zou kunnen worden veroordeeld tot teruggave van teveel betaalde erfbelasting. Vandaar wellicht de vraag van de Vlaamse Regering.

Die teruggave is uiteraard slechts mogelijk indien er geen verjaring is ingetreden. Voorts moet aan de toepassingsvoorwaarden voldaan zijn, zowel en gronde als wat de vorm betreft. Vroeger (art. 134 W.Succ.) volstond het aan te tonen dat de wet (art. 17 W.Succ.) slecht was toegepast (door de belastingadministratie). M.i. is er in casu een ”verkeerde toepassing van de wet” vermits het Grondwettelijk nu vaststelt dat art. 17 W.Succ. dermate moet worden geïnterpreteerd dat het ook moet toegepast worden op in het buitenland betaalde successierechten geheven op roerende situs-goederen.

Thans is er (in de VCF), op het eerste gezicht, geen mogelijkheid meer om teruggave van erfbelasting te verkrijgen wegens een slechte toepassing van de wet. De art. 3.6.0.0.1. en 3.6.0.0.4 VCF voorzien niet meer expliciet in deze grond voor de teruggave. Nochtans valt in de parlementaire voorbereiding van het decreet dat het Vlaams Wetboek Successierechten in de VCF heeft ingelijfd (Parl.St. Vl.Parl. 2014-15, nr. 114/1, p. 32) , te lezen dat het “toch (…) geenszins de bedoeling (is) om deze teruggavemogelijkheden op te heffen. Het bestaande artikel 3.6.0.0.1, dat de ambtshalve ontheffing van belasting regelt is voldoende ruim geformuleerd om beide situaties op te vangen, met name de verkeerde toepassing van de wet, of het vaststellen van de wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden”.

Het punt is dat Vlabel deze passage uit de parlementaire voorbereiding niet toepast en steevast een ambtshalve ontheffing weigert wanneer de overmatige belastingen (onder meer) niet “blijken uit afdoende nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen”.

Bovendien schermt Vlabel met de voorwaarde dat “een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie (…) niet (wordt) beschouwd als nieuw gegeven”. Dat is een probleem, want wat gebeurt er in de praktijk? De belastingplichtige kaartte in het verleden de ongrondwettigheid van art. 17 W.Succ. aan. De fiscale administratie interpreteerde deze bepaling enkel letterlijk, zodat ze niet van toepassing was op roerende goederen (hoewel dat dit eigenlijk wel de bedoeling was van de wetgever – supra). De belastingplichtige zag er tegen op om een procedure in te stellen of om een prejudiciële vraag te stellen. Vervolgens is er een belastingplichtige die deze moeite wel doet, en met succes. En het besluit zou dan moeten zijn dat dit geen enkel nadelig gevolg mag hebben voor de fiscale administratie? De fiscale administratie zegt: “ik hef (ook al is er een ongeoorloofde discriminatie). Als de belastingplichtige niet akkoord is, dan moet hij maar procederen. En als de rechter mij in het ongelijk stelt, dan zal dat enkel gevolg hebben voor die belastingplichtige, maar niet voor al die anderen die gedwee betaald hebben (en waarvan de vordering tot teruggave niet verjaard is)”.

M.i. is dat niet gerechtvaardigd. Ook de fiscale administratie moet de bepalingen van het Wetboek Successierechten en van de VCF interpreteren in een zin die verenigbaar is met de art. 10, 11, 172 van de Grondwet. Als zij dat niet doet, past zij de wet verkeerd toe. Anders is het al te gemakkelijk. Iedere partij moet haar verantwoordelijkheid nemen. Het ware alleen anders indien het Grondwettelijk Hof eerst zou oordelen dat er geen ongrondwettelijkheid was, en vervolgens een bocht van 180 graden zou maken. Maar dat is hier niet het geval.

Dienaangaande zijn gerechtelijke procedures lopende.

Tot slot: het Hof doet enkel uitspraak over het al dan niet grondwettelijk karakter van (de enge interpretatie van) art. 17 W.Succ. Maar de beslissing geldt evenzeer voor art. 2.7.5.0.4 VCF dat, inhoudelijk, niets heeft gewijzigd aan de kwestieuze bepaling. Ook dat werd impliciet bevestigd in de parlementaire voorbereiding, omdat daarover niets wordt gezegd in de Memorie van Toelichting (ibid., 15). Kortom, erfgenamen en legatarissen die in het verleden een dubbele erfbelasting hebben betaald op roerende goederen, en van wie de vordering tot teruggave niet is verjaard (de verjaringstermijn is 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd), kunnen een verzoek tot ambtshalve ontheffing instellen.

Nicolas Geelhand de Merxem