Huber Crommen Geelhand Barbaix

“65-plusser spaart niet maar geniet”. En wat dan met de successieplanning?

| Nicolas Geelhand de Merxem

65-plussers hebben thans een hoge levensverwachting. Zij willen van het leven profiteren. Het ligt dan ook niet in hun bedoeling om hun vermogen weg te schenken aan hun kinderen. Dat vermogen is immers meestal nodig om in het (ruimer bemeten) levensonderhoud te voorzien en om het hoofd te kunnen bieden aan onverwachte (medische en andere) uitgaven. En een gouden raad inzake successieplanning is dat men enkel mag schenken wat men tijdens zijn leven zeker niet meer nodig zal hebben.

Vraag is dan of hun (civielrechtelijke en fiscale) successieplanning de koelkast in moet. Niets is minder waar.

Gehuwde 65-plussers kunnen vooreerst een zogenaamde horizontale successieplanning bewerkstellingen. Dit betekent dat het vermogen ingeval van overlijden van de ene echtgenoot naar de andere verschuift. Deze verschuiving kan op twee manieren verwezenlijkt worden: voor de roerende goederen kan dit geschieden door een herroepelijke wederzijdse schenking te doen. Een aanpassing van het huwelijkscontract door toevoeging van een verblijvingsbeding of een finaal verrekenbeding 0/100 is een andere manier die bruikbaar is zowel voor roerende als voor onroerende goederen. In sommige gevallen dienen de echtgenoten gehuwd te zijn onder een stelsel van scheiding van goederen. Ook via aan speciaal type van levensverzekeringsovereenkomst kan de overgang van de eerstoverledene naar de langstlevende echtgenoot gerealiseerd worden. Voor zover de echtgenoten enkel aanwinsten bezitten, dit zijn goederen die zij samen tijdens het huwelijk hebben verkregen anders dan door schenking, erfenis of testament, kunnen hun kinderen deze overdracht niet bekritiseren. De fiscale druk is telkens nihil of zeer laag (3%). Uiteraard zal de langstlevende later moeten instaan voor de overdracht aan de kinderen, maar dat is een zorg voor later.

Blijft er slechts één echtgenoot over, en wil die nog van het leven genieten, dan dient de schenking eveneens uitgesteld te worden. Belangrijk is dat een schenking van roerende goederen aan 3% en een schenking van onroerende goederen aan 3% en 9% tot op de dag van het overlijden mogelijk is. Om zeker te zijn dat de schenking kan gedaan worden, ook ingeval van wilsonbekwaamheid, is het aangewezen een zogenaamde “zorgvolmacht” te verlenen aan een vertrouwenspersoon, met de bevoegdheid om een schenking in extremis te doen. Ook het aangaan van een ongevallenverzekering voor het risico van een plots overlijden ingevolge een ongeval, kan nuttig zijn. Ten slotte is er ook nog het testament waardoor de fiscale druk gevoelig kan verlaagd worden, bij voorbeeld door de spreiding van de nalatenschap over de kinderen en de kleinkinderen.

Kortom, genieten van het leven sluit een aangepaste successieplanning niet uit.

N. Geelhand de Merxem

De Tijd, 29 maart 2017.