Bv cvba HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Het verblijvingsbeding inzake onverdeelde goederen is niet belastbaar volgens Vlabel.

Vlabel deponeerde een mooi kerstcadeau onder de kerstboom voor de successieplanners. De door een  vindingrijk advocatenkantoor uitgedokterde huwelijksvermogensrechtelijke clausule van verblijving van een onverdeeldheid aan de langstlevende echtgenoot, werd immers door Vlabel als niet-belastbaar bevonden in de erfbelasting.

De clausule houdt in dat een tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheid (wat ook de oorsprong ervan is: post-communautaire onverdeeldheid, conventionele onverdeeldheid, enz.) door een beding in het huwelijkscontract bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden wordt toebedeeld aan de langstlevende echtgenoot. Het is derhalve een huwelijksvermogensrechtelijke en zakenrechtelijke overdracht van goederen.

Terecht is deze techniek niet belastbaar.

Art. 2.7.1.0.1/2 VCF is niet van toepassing omdat de langstlevende echtgenoot niets uit de nalatenschap verkrijgt in zijn hoedanigheid van erfgenaam of legataris, maar als echtgenoot naar aanleiding van de huwelijksvermogensrechtelijke vereffening-verdeling.

De art. 2.7.1.0.3, 3° en 2.7.1.0.5 VCF zijn niet van toepassing omdat het hier om een huwelijksvoordeel gaat en dus niet om een schenking. Een huwelijksvoordeel is nooit een schenking.

Art. 2.7.1.0.4 VCF is niet van toepassing omdat er geen toebedeling is van een gemeenschap, maar van een onverdeeldheid. De art. 2.7.3.2.14 en 2.7.3.4.1 VCF die het finaal verrekenbeding belastbaar maken, zijn evenmin van toepassing, omdat er hier geen sprake is van een obligatoire relatie en het ontstaan van een verrekenschuld, maar van een zakenrechtelijke overdracht.

Ten slotte is er ook geen fiscaal misbruik (art. 3.17.0.0.2 VCF). Men zou weliswaar kunnen stellen dat men zich onttrekt aan de toepassing van art. 2.7.1.0.4 VCF, maar dit geschiedt niet in strijd met de doelstellingen van deze bepaling. De wetgever, en later de decreetgever, hebben nooit de bedoeling gehad de verblijving van een onverdeeldheid te belasten. Gelet op het feit dat er geen fiscaal misbruik is, is het overbodig om zich uit te laten over het al dan niet bestaan van niet-fiscale motieven.

Verder moet men volgens Vlabel een onderscheid maken naargelang de onverdeeldheid roerende dan wel onroerende goederen bevat. In het eerste geval kan er geen sprake zijn van enige schenkbelasting of enig verkoop- of verdeelrecht. In het tweede geval moet men rekening houden met het verdeelrecht vermits een einde wordt gemaakt aan een onverdeeldheid, en eventueel met het verkooprecht (art. 2.9.1.0.7 VCF). Wil men een onroerende onverdeeldheid tot stand brengen, dan is het verkooprecht verschuldigd door degene die “inbrengt”, ten belope van het overgedragen onverdeeld aandeel.

Deze nieuwe (niet-belaste) techniek is welgekomen om het comfort van de langstlevende te realiseren zonder dat deze langstlevende erfbelasting dient te betalen.  Immers de meeste technieken om dit te verwezenlijken zijn stelselmatig door de wetgever en Vlabel gekortwiekt. Zich beschermen tegen een plots overlijden kon tot voor kort enkel met een beding van aanwas. Maar daarvoor moesten de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn: gelijkaardige levensverwachting en gelijkwaardige inbreng. Zo niet was er toch erfbelasting verschuldigd (art. 2.7.1.0.3, 3° VCF).

Bij het gebruik van de nieuwe techniek moeten die strenge voorwaarden niet verwezenlijkt worden: de inbreng moet niet gelijkwaardig zijn. Het moet dus geen 50/50 onverdeeldheid  zijn. Daarnaast moet de levensverwachting niet gelijkaardig zijn. De clausule is ook bruikbaar wanneer één van de echtgenoten veel ouder is dan de andere of zelfs terminaal ziek is.

Daarentegen geldt deze nieuwe techniek enkel voor “gehuwden”, want alleen zij kunnen aanspraak maken op “huwelijksvoordelen”. Wettelijk of feitelijk samenwonende partners moeten het dus stellen met het beding van aanwas, indien mogelijk.

Huwelijksvoordelen hebben ook het nadeel dat zij niet absoluut “reserveproof” zijn, zoals een beding van aanwas (art. 1464, lid 2 en art. 1465 B.W.).

Vlabel spreekt zich niet impliciet uit over een aantal modaliteiten van de nieuwe techniek:

  • Quid wanneer het verblijvingsbeding optioneel is geformuleerd? Dat lijkt door Vlabel minstens impliciet te zijn aanvaard, wat niet verwonderlijk is vermits de “keuzebedingen” worden aanvaard;
  • Quid wanneer de echtgenoten eerst van een gemeenschapsstelsel overstappen naar een stelsel van scheiding van goederen en vervolgens onmiddellijk een verblijvingsbeding inlassen? In casu was de overstap in 2016 gerealiseerd, of meer dan drie jaar voor de inlassing van het beding. Dit mag echter niet relevant zijn voor de kwalificatie fiscaal misbruik omdat de doelstellingen van de fictiebepalingen niet geschonden worden.
  • Quid wanneer de echtgenoten een conventionele onverdeeldheid realiseren en vervolgens onmiddellijk een verblijvingsbeding inlassen? (zie voorgaande opmerking).

Voorafgaande beslissing nr. 19053 dd. 21.10.2019, “Wijziging huwelijkscontract (verblijvingsbeding onverdeelde goederen)”, publ. 17.12.2019

N. Geelhand de Merxem