Bv cvba HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Een asymmetrische uitbreng uit het gemeenschappelijk vermogen is geen fiscaal misbruik

Toen bleek dat één van hen terminaal ziek was, beslisten twee in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, een aantal roerende en onroerende goederen uit te brengen uit het gemeenschappelijk vermogen om ze te plaatsen in het eigen vermogen van de niet-zieke echtgenoot. Dit is wat men in het jargon van de successieplanners een “asymmetrische uitbreng” noemt.

 

Vlabel oordeelde dat deze verrichting een fiscaal misbruik uitmaakte en dat er geen pertinente niet-fiscale motieven waren.

 

In een vonnis van 11 april 2019 heeft de fiscale kamer van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, beslist dat dit niet het geval is.

 

Vooreerst, stelt de Rechtbank, is deze verrichting niet opgenomen in de “zwarte lijst” van de twee Vlaamse omzendbrieven over fiscaal misbruik. Verder zegt de Rechtbank dat het ”in extremis”-karakter en het eenzijdig karakter van de verrichting niet “automatisch” tot de kwalificatie “fiscaal misbruik” leiden. Ten slotte stipt de Rechtbank aan dat de rechtshandelingen geen betrekking hebben op de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen bij overlijden, doch op een verdeling tijdens het huwelijk.

 

Dit laatste zou er op kunnen wijzen dat de Rechtbank van oordeel is dat er geen fiscaal misbruik is omdat de verrichting tot een ontwijking van art. 2.7.1.0.4 VCF leidt die niet in strijd is met de doelstellingen van deze bepaling.

 

Dit is alvast een eerste vonnis over fiscaal misbruik in de Vlaamse erfbelasting, en een opsteker voor diegenen die de indruk hadden dat volgens Vlabel het bewandelen van de minst belaste weg ipso facto een fiscaal misbruik uitmaakt.

 

De verwachting is wel, gelet op het principieel karakter van de problematiek, dat Vlabel hoger beroep tegen dit vonnis zal instellen.

 

N. Geelhand de Merxem

(Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 11 april 2019, A.R. 17/4505/A)