Bv HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Belastingverhoging inzake erfbelasting is een strafsanctie en onderhevig aan mildering

Op de website van VLABEL is de samenvatting van een interessant vonnis gepubliceerd. De rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) heeft zich uitgesproken over de mogelijkheid om een kwijtschelding dan wel een mildering te kunnen krijgen van de belastingverhoging wegens verzuim van aangifte in de nalatenschap.

 

 

De feiten waren als volgt: de weduwe (en enige erfgenaam) van de erflater dient een aangifte van nalatenschap in. Meer dan anderhalf jaar na de vestiging van de aanslag erfbelasting stelt Vlabel een ambtshalve aanslag van bijkomende erfbelasting voorop. De weduwe bleek immers gemeenschappelijke banktegoeden niet te hebben aangegeven. Er werd, met verwijzing naar art. 3.18.0.0.7 VCF, ook een belastingverhoging van 20% opgelegd. De weduwe betaalde onmiddellijk, verzette zich niet tegen de bijkomende erfbelasting maar wel tegen de belastingverhoging. Haar bezwaar en verzoek om een kwijtschelding werden verworpen.

 

 

In rechte vorderde de belastingplichtige in hoofdorde de kwijtschelding van de belastingverhoging en in subsidiaire orde, de mildering ervan.

 

 

Art. 3.18.0.0.7 VCF bepaalt dat de belastingverhoging van 20% wegens verzuim van aangifte van nalatenschapsgoederen tot 10% wordt verminderd indien de belastingplichtige spontaan en binnen 10 maanden na het overlijden (of de start van een nieuwe aangiftetermijn) alsnog een aanvullende aangifte doet. Dat was in casu niet gebeurd.

 

 

De leidende ambtenaar van Vlabel kan een belastingverhoging echter ook verminderen of zelfs kwijtschelden indien de belastingplichtige bewijst niet in fout te zijn. Er is slechts afwezigheid van fout wanneer wordt bewezen dat alles is gedaan om de regelgeving na te leven of wanneer wordt bewezen dat een verzuim in de aangifte te wijten is aan overmacht. In casu was het verzoek geweigerd. De rechtbank acht zich echter bevoegd om zelf te beoordelen of het gebrek aan een fout afdoende is bewezen en geeft uitdrukkelijk aan dat Vlabel in deze geen discretionaire of exclusieve bevoegdheid heeft.

 

 

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het gebrek aan een fout in hoofde van de weduwe niet wordt aangetoond (loutere onwetendheid en goede trouw zijn immers onvoldoende), beroept de rechtbank zich op art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR om te beoordelen of de belastingverhoging evenredig is met de inbreuk van de belastingplichtige. De belastingverhoging heeft immers het karakter van een strafsanctie, aldus de rechtbank. Finaal beslist de rechtbank dat de sanctie overdreven is gelet op de goede trouw van de belastingplichtige en wordt de belastingverhoging herleid tot 10%.

 

 

Dit vonnis getuigt van redelijkheid. In de praktijk is het bewijs van het gebrek aan een fout in hoofde van de belastingplichtige zeer moeilijk te leveren. (In de rechtsleer vraagt men zich al langer af of in deze enige soepelheid niet aan de orde is.)  Door een belastingverhoging als een strafsanctie te kwalificeren, biedt de rechtbank echter een alternatieve oplossing voor dit probleem.

 

 

(Rb. Oost-Vlaanderen (afdeling Gent), 18/2743/A, 11 februari 2020)

 

Ayfer Aydogan